Happy birthday, It Takes A Nation Of Millions To Hold Us Back

Op deze dag in 1988 bracht Public Enemy het album It Takes A Nation Of Millions To Hold Us Back uit. So happy birthday!

Educate yourself! Sinds de gewelddadige dood van George Floyd, onder de knie van een witte politieman, leeft de slogan van de Black Live Matters-beweging als nooit tevoren. Lees, kijk, luister. Er zijn genoeg bronnen die kunnen vertellen over heden en verleden van racisme – al dan niet institutioneel, al dan niet in Nederland. De plaat RTJ4 was al gemaakt (nét af), maar sinds George Floyd bleek de nieuwste Run The Jewels opeens brandpunt van actualiteit. Vorig jaar verscheen de documentaire I Am Not Your Negro over schrijver James Baldwin (die kun je bekijken op Cinetree als je te lui bent om Baldwins boeken te lezen). Zeer beklemmend is de serie When They See Us, sinds vorig jaar op Netflix, over de Central Park-five: vijf pubers die ten onrechte worden beschuldigd van de verkrachting van een witte vrouw in 1989. Het zijn zomaar drie dingen die me als eerste te binnen schieten. En ik moest meteen denken aan Fight The Power, het krachtige anthem van Public Enemy – ook uit 1989. Het nummer verscheen kort na hun opus magnum: het album It Takes A Nation of Millions To Hold Us Back. Public Enemy werd door rapper Chuck D treffend beschreven als ‘information portal’ – en dat is terug te vinden in tekst, muziek en beeld. “An important message should have its importance embedded into the way it’s relayed”, aldus D. “You hear Public Enemy, you hear a tone that says”look out, this is some serious shit coming!”

Public Enemy bestaat uit rapper Chuck D en sidekick en clown Flavor Flav, dj Terminator X met z’n gouden handjes, ‘ideoloog’ Professor Griffith en zijn S1W’s (Security Of The First World – een soort van gewapende militie). Maar minstens zo belangrijk is het productieteam: The Bomb Squad, met daarin broers Hank en Keith Shocklee, Eric Sadler en Carl Ryder. De ambities voor It Takes A Nation waren torenhoog. Chuck D wilde een tweede What’s Going On? (van Marvin Gaye) maken maar dan voor de rap/hiphop, zo vertelde hij de New York Post jaren later. “We had the sole intention to make an album that stood the test of time, to make the greatest album ever as opposed to hot street record. It was no mistake.” Ze zouden het gaan brengen met de energie van Iron Maiden, The Clash of Led Zeppelin in hun beste dagen, aldus Chuck D. Het moest dus allemaal, harder, sneller, heftiger. Paniek op muziek gezet, zo zou het klinken– vond ook The Bomb Squad. “Most people were saying that rap music was noise”, zei Hank Shocklee in 1989 tegen muziekblad Rolling Stone, “and we decided ‘if they think it’s noise, let’s show them noise’.” En zo geschiedde… Na een kort livepandemonium en gillende sirens, trapt Bring The Noise het album serieus af. “Bass! How low can you go!”, barst Chuck D los. “Death row? What a brother know?”
Die noise is opgebouwd uit stukjes zwarte (muziek)geschiedenis: James Brown, Gil Scott Heron, John Coltrane, speeches van Malcolm X, Jesse Jackson en Louis Farrakhan, gelardeerd met stukjes Queen, Slayer en heel veel harde of gekke geluiden (van fluitketels tot voorhamers, van gilletjes tot staalplaten). Op sommige momenten – zoals in de remix van Night Of The Living Baseheads – klinkt Public Enemy letterlijk als James Brown meets Einstürzende Neubauten.

Voor hiphop-fans in de jaren tachtig kwam It Takes A Nation Of Millions To Hold Us Back niet als verrassing. Allereerst was er al die fijne debuutplaat uit 1987: Yo! Bum Rush The Show. Daarna volgde de trits singles die ook op het meesterwerk uit 1988 terecht kwam: Rebel Without A Pause, Don’t Believe The Hype en Bring The Noise. Die gaven al een blauwdruk van hoe het album zou gaan worden: hard, funky, maar ook boos, tegendraads en avantgarde. Niet gezellig, wel indrukwekkend. De soundtrack van een revolutie.

Waar het allemaal over gaat op die plaat? In Bring The Noise en Don’t Believe The Hype gaan Chuck D en Flavor Flav tekeer tegen de media met hun witte bias. Caught, Can We Get A Witness? is een fantasie waarin Public Enemy voor de rechter moet verschijnen voor diefstal in de vorm van sampling. (Dat was een volkomen achterhaalde gedachte volgens de Shocklee-broers. Die wilden juist een plaat maken die is opgebouwd uit stukjes plaat van anderen. In een boekje uit de fantastische serie 33-1/3 – over de belangrijkste albums in de geschiedenis – beschrijft auteur Chris Weingarten heel treffend hoe de Bomb Squad dit proces van deconstructie en constructie aanpakte. Hoe ze soms moedwillig krassen in het vinyl maakten om het ruiger, gruiziger te laten klinken.) Het vervolg op Caught is misschien wel Black Steel In The Hour Of Chaos: over een heftige ontsnapping uit een zwaarbewaakte gevangenis. She Watch Channel Zero?! is dan weer een aanklacht tegen alle junk en shit op tv. Het meest zwart-militante nummer is Prophets Of Rage – de titel zegt genoeg. Public Enemy haalde vervolgens een truckje uit om het allemaal als één geheel te laten klinken. Ze hebben er stukjes uit een liveshow tussen gezet. Daardoor is het album te beluisteren als integraal optreden.

Dat de band in het echt ook zo hard en snel kon zijn, zo furieus en zo funky tegelijk, zagen wij als witte jochies op 13 oktober 1988 in de Amsterdamse Jaap Edenhal. Public Enemy stond daar samen met onder andere Run DMC voor een uitverkochte hal annex ijsbaan. Niet alleen het volledige podium, ook het voltallige publiek was black and proud – and loud. De enkele aanwezige witman vond het maar grimmig, zo hoorden we achteraf. Wij niet. We waren betoverd door de explosie van beats, noise, samples en scratches. En door zoveel trots. Een natie van miljoenen zou deze geest niet meer in de fles krijgen, zo dachten we naïef. Wisten wij veel dat er de komende dertig jaar niets zou veranderen. It Takes A Nation Of Millions To Hold Us Back is de beste hiphop-plaat ooit gemaakt. Ik krijg er nog een kick van als ik ‘m hoor. Maar dat de roep van Public Enemy nu nog net zo urgent is als toen, maakt me treurig. RIP George Floyd. Er is nog heel veel werk aan de winkel. Het begint met: educate yourself.

En na de dood van George Floyd maakte Public Enemy dit:

Meer jarige platen?

Happy birthday, Brilliant Trees

Op deze dag in 1984 bracht David Sylvian het album Brilliant Trees uit. So happy birthday!

Ik had vroeger – eind jaren tachtig hebben we het over – een vriendinnetje die tot over haar oren verliefd was op David Sylvian. Ja, ook op mij hoor, ik was niet ongelukkig. Maar het Grote Romantische Idool, de Androgyne Adonis, de Mythische Godenzoon was de voormalige zanger van de band Japan. Fijnzinnig, diepzinnig, en ook nog gezegend met een goddelijke stem. Ergens was het maar goed dat ik in de verste verten niet op hem leek. Zo bleef David Sylvian een onbereikbaar, abstract fenomeen.

Op deze manier vielen bosjes meisjes, vrouwen, voor de mooi-boy. Sophisticated Sylvian. Dat was leuk, zolang hij en zijn band nog poppy Roxy Music-gekleurde synthesizerwave maakten: Japan was zo’n typische new romantics-band zoals die in het Engeland van de jaren tachtig zoveel waren. Het probleem begon toen Japan steeds serieuzer muziek ging maken (zoals op de albums Tin Drum en Oil On Canvas). En dat bleek gaandeweg de solocarrière van David Sylvian steeds meer een ding te worden: de mooi-boy werd nooit zo serieus genomen. Hoe ver hij ook ging in zijn experimenten en improvisaties – en dat bleek heeeel ver – en welke grootheden met hem ook het muzikale avontuur aangingen (Fennesz, Holger Czukay, Robert Fripp, Ryuichi Sakamoto, Jaki Liebezeit, Jon Hassell, Arve Henriksen), altijd werd zijn werk gezien als ‘avantgarde-light’. Zo’n denigrerend label verdient David Sylvian absoluut niet!

Was het kinnesinne? Aan de muziekjournalisten en –critici heeft het niet gelegen. Die waren laaiend enthousiast. Zeker toen de band Japan klapte (door botsende ego’s en doordat de zanger er vandoor ging met de vriendin van bassist Mick Karn) en David Sylvian in 1984 op de proppen kwam met zijn eerste soloplaat Brilliant Trees. Dat enthousiasme was terecht. Op latere platen ging David Sylvian misschien veel verder, vooral Manafon uit 2009 is extreem, maar Brilliant Trees is meteen z’n grootste meesterwerk! De plaat is atmosferisch, akoestisch adembenemend, vervreemdend en vertrouwd. Verstild. Ontroerend. Het album is jazz, ambient, wereldmuziek en krautrock tegelijk.

De openingstrack, Pulling Punches, doet nog het meest aan Japan denken: met hamerende basslijntjes en funky blazers. Maar dat er een andere weg wordt ingeslagen hoor je meteen aan die vervreemdende en vervormde solo op de flugelhorn door Holger Czukay – voormalig voorman van de krautrock-band Can. Ook het vierde nummer – de afsluiter van kant A – is nog wat traditioneel. Red Guitar kwam op single uit en werd een bescheiden hit door een jazzy/bossanova contrabas en het subtiele pianospel van Ryuichi Sakamoto. (Sylvian en Sakamoto hadden kort daarvoor een megahit met het nummer Forbidden Colours uit de soundtrack van de film Merry Christmas Mr. Lawrence. Laatst las ik een goede beschrijving: het nummer is een beetje de Careless Whisper voor alternatieve bakvissen…) Kant A van de elpee wordt verder gevuld door een David Sylvian die we tot nu toe nog niet kenden: The Ink In The Well en Nostalgia. IJle gitaren. Donkere contrabas. Een waterig orgeltje. Rare percussie. Klankschalen. Bellen. Een kwijnende trompet. ‘Field recordings’ van Aziatische en Afrikaanse gezangen of radio-opnames van stemmen. Dit hoorde je allemaal niet bij Japan.

Op kant B ontpopt Brilliant Trees zich helemaal als meesterwerk. Je hoort drie nummers: Weathered Wall, Backwaters en de titeltrack. Twee daarvan zijn geschreven met de experimentele trompettist Jon Hassell die onaardse geluiden uit zijn instrument weet te ontlokken. Dit zijn meer sculpturen dan songs. Er lijkt geen structuur in te zitten. Het zijn eerder exercities in geluid. De muziek is heel subtiel. Iedereen mag naar hartenlust improviseren en David Sylvian laat veel ruimte (deze werkwijze wordt op Manafon tot in extremis doorgetrokken). En tegelijkertijd klinkt alles zo logisch en op z’n plaats. Nergens wordt een noot teveel gespeeld of een klank te weinig. Alles is heel fijnzinnig en subtiel gemixt. De sfeer is melancholisch. Het beeldhouwwerk van geluid is van een zeldzame schoonheid.

Hoogtepunt is de afsluiter, het titelnummer Brilliant Trees, zeker als de rondzingende synthesizers en wollige trompetten verstommen en er een subtiel ritme wordt ingestart. David Sylvian en zijn gevolg (Holger Czukay, Sakamoto, Japan-kameraden Steve Jansen, Steve Nye en Richard Barbieri, Jon Hassell, Mark Isham, Kenny Wheeler, Danny Thompson) lijken hier op reis te gaan. Ze slaan een weg in die nog niet bewandeld is in de jazz-, ambient- op popmuziek. Follow de mooi-boy, het wordt een hele spannende muziektrip! Niks avantgarde-light. Dit is de real thing.

Al met al duurt Brilliant Trees maar veertig minuten. Dat is best weinig voor zulke mooie muziek. Platen- en cassetteliefhebbers als ik was, ging ik een jaar later driftig op zoek naar een uitgave waarop ook de plaat Alchemy (An Index Of Possibilities) was vastgeplakt. Dat is hoofdzakelijk instrumentaal werk, gemaakt met Holger Czukay in de slipstream van Brilliant Trees. Zo kon ik nog wat langer genieten van David Sylvian, want ik was inmiddels tot over mijn oren verliefd op zijn muziek.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Live At The Harlem Square Club 1963

Op deze dag in 1985 werd het album Sam Cooke Live At The Harlem Square Club 1963 uitgebracht. So happy birthday!

Dit gaat om opnamen die 22 jaar in het archief van platenmaatschappij RCA hebben gelegen. De muziek was te rauw, dat zou niet passen bij het imago van Sam Cooke. We kennen hem allemaal als de zanger met de zoetgevooisde stem, die eind jaren vijftig begin jaren zestig van de platenbazen een cross-over moest maken naar het witte publiek met niets-aan-de-hand liedjes. Denk maar aan Wonderful World. De zakenmannen zagen een soort van Nat King Cole in hem. Sam Cooke zag dat zelf anders. En terecht. Hij was eigenlijk een vroege verpersoonlijking van de ‘black awareness’-beweging die nog moest komen. Die twee elementen – dat zwarte strijdbare én dat zoetgevooisde – komen samen in de bloedstollend mooie ballad A Change Is Gonna Come, inmiddels de soundtrack bij de rassenrellen van de jaren zestig. Maar over het algemeen zijn de keurig geproduceerde plaatjes die platenmaatschappij RCA van Sam Cooke uitbracht nogal saai.

Wat een contrast is dat met die avond in januari 1963, een jaar voor zijn gewelddadige dood, wanneer de soulzanger op het podium stapt van de obscure Harlem Square Club in Miami. Of beter gezegd: die nacht, want volgens overlevering was het 1 uur ’s nachts dat dit optreden werd opgenomen. Sam Cooke heeft de best denkbare band achter zich, waarin saxofonist King Curtis en gitarist Cornell Dupree de bekendste namen zijn.

Na een korte introductie (“the young man you’ve all been waiting for, mr. Soul!”) barst het los met scheurende saxen, stompende ritmes en een schreeuwende en lachende Sam Cooke. “Don’t fight the feeling. Feel the feeling!” En dat doet iedereen. Je hoort community-singing als in de beste gospeldiensten. De band voert het tempo verder op. Hits als Chain Gang, Cupid en Twisting The Night Away komen voorbij in hele rauwe versies. Dan een medley met daarin het hartverscheurende For Sentimental Reasons. Opvallend is dat Sam Cooke – hoe hard hij ook moet schreeuwzingen om boven het publiek uit te blijven – nergens een noot mist. Overal is ‘ie loepzuiver! Dan beginnen de hoogtepunten van de plaat. Somebody Have Mercy. Nothing Can Change This Love. Het beste nummer van de plaat – Bring It On Home To Me – wordt voorafgegaan door een tweeënhalf minuten durend uitgesteld orgasme waarin Cooke zijn liefje probeert te bellen. Het bouwt maar op en bouwt maar op. En als het nummer dan losbarst… dan hoor je een soort pompende, stuwende oerblues – waar je niet bij stil kunt zitten. Hier laat de rauwe Sam Cooke giganten als Otis Redding en James Brown mijlenver achter zich. En maar lachen die Cooke, hahaha. Hahaha. Having A Party.

Dus niks zoetigheid! De avond was in vitriool gedoopt. Toen deze plaat in 1985 uitkwam, wist de krant Miami Herald een van de RCA-geluidstechnici op te sporen die het optreden heeft opgenomen: Tony Salvatore. “Sam rolled them up that night”, vertelde Salvatore aan de krant. “I remember, right before he went on stage, there was this… thing on the floor that he was about to step on. A scorpion, or a tarantula, or something, and I pointed it out to him, and he smiled and said, ‘Yeah, I know.’ And he stepped on it, squashed it, and went out on stage. It was that kind of night.”
De club was heet, zweterig en vies, zo herinnerde Salvatore zich. Een omgebouwde graanschuur. “It was kind of disco, with a large dance floor. I didn’t see that much of the performance. Because we were in a little office, above the stage, doing the taping. I remember it was a very, very dark club. You couldn’t see anything or anybody. The audience wasn’t eigthty percent black. Not ninety percent. It was a hundred percent black.”

Rolling Stones-gitarist Keith Richards gaf ooit heel mooi het verschil aan tussen oude en nieuwe plaatopnamen. “New records are about recording instruments, while old records were about recording the room.” In die zin valt deze opname van Sam Cooke in de tweede categorie. Gelukkig maar. Niet alleen is hier de ruimte op tape gezet, je hebt zelfs het gevoel alsof je midden tussen het publiek staat! Dichter bij de overleden soulzanger kun je niet komen. (Daarvoor moet je trouwens wel die uitgave uit 1985 hebben, later is het live-album nog een paar keer uitgebracht als onderdeel van cd-boxes, maar daarop is het publiek wat meer naar de achtergrond gemixt. Helaas staat alleen die laatste versie op Spotify.)

De vergelijking wordt vaak gemaakt: is Sam Cooke Live At The Harlem Square Club 1963 beter dan James Brown Live At The Apollo? Het antwoord is ondubbelzinnig: ja! Er zijn zelfs mensen die beweren dat de Harlem Square Club de beste liveplaat ooit gemaakt is. En… ja, ook dat klopt. Na bijna zestig jaar nog steeds. Het enige nadeel is dat het optreden – 36 minuten in totaal – zo kort duurt.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Yeezus

Op deze dag in 2013 bracht Kanye West het album Yeezus uit. So happy birthday!

Vergeet dat gedoe rondom het uitlekken van platen, de vetes met Taylor Swift, zijn rants tegen Bush en zijn gedweep met Trump. Vergeet vrouwtje Kim Kardashian en alle paparazzi die het stel belt als ze op stap gaan (hahahahaha). De miljarden op hun rekening. Vergeet zijn make-up-lijn (hahahahaha). De postume steun aan Michael Jackson (bah). Gooi die roddelbladen aan de kant, klik de clickbait weg. Vergeet al die misselijkmakende humbug en stel je voor dat het album Yeezus was gemaakt door een onbekende rapper slash producer die de grenzen van de hiphop gaat verleggen. Mijlenver.

Dan hoor je een intense plaat. Hard en kaal. Donker. Geen warme funky hiphop, maar acid house, kille electro in de beste Front 242-traditie, schurende noise, Chicago drill en industrial music a la Throbbing Gristle. Zieke beats en een geschreeuw dat Blixa Bargeld van Einstürzende Neubauten doet verbleken. Een oerschreeuw, weet je. Dit is geen gezellige plaat. De synthesizers zijn overstuurd. De bassen ultradiep. Je hoort flarden Jamaicaanse dancehall – maar dan in de hardste variant denkbaar. Luchtalarmen. Alles is opzwepend, adembenemend. Er zijn staccato-uithalen: de falsetto van gastzanger Justin Vernon van Bon Iver. Ratatat-achtige gitaren. De beats stotteren en stokken. Dit is geen dansplaat. En ja, er zijn wel oude soul-samples (best veel eigenlijk) – maar ze zitten niet echt in het ritme. Ze zijn ook zo langdurig dat ze vervreemdend klinken. Ze maken niet echt deel uit van de muziek. Of misschien juist daarom ook weer wel – helemaal in de surrealistische afsluiter Bound 2.

Hoe ‘ie het doet? Niet te begrijpen… Maar het werkt. Yeezus, zijn zesde, is zoooo indrukwekkend. Het is trouwens niet alleen topproducer Kanye West die hiervoor verantwoordelijk is. Kanye krijgt hulp van jonge goden als Arca, Gesaffelstein en Brodinski, maar ook van oudgedienden als Daft Punk en Rick Rubin – en met die laatste plaatste de plaat zich in de traditie van harde beat-makers uit de jaren tachtig zoals LL Cool J, Run DMC, Beastie Boys en Public Enemy. Yeezus verscheen dan ook op het legendarische label DefJam.

Dan die raps van Kanye! Sharp as a razorblade. In zijn beste momenten trekt hij keihard van leer tegen racisme en ongelijkheid zoals in Black Skinhead en New Slaves. Al die roddel en strapatsen kun je vergeten, maar onthoud wel dat enorme ego van Kanye. Zoals Harry Mulisch zichzelf ironisch kon opblazen, zo doet Kanye West dat in het kwadraat. Hij is ‘de stem van zijn generatie, de Michael Jordan van de muziek’, zoals hij zelf zegt. Of Jezus. Of beter nog: I Am A God roept hij in het derde nummer op de plaat. Dat veel mensen dat niet pruimen, lijkt hem alleen maar te amuseren. “As soon as they like you, make ‘em un-like you”, rapt hij. En: “I’d rather be a dick than a swallower.” En ja, een lul is hij zeker. Wat deze plaat zo fascinerend maakt, is dat je je er af en toe behoorlijk aan kunt ergeren. Als hij Martin Luther King’s woorden “free at last” aanhaalt bij de borsten die uit een topje springen, bijvoorbeeld, of als Kanye rapt “eatin’ Asian pussy, all I need was sweet and sour sauce”. Dat is van een bedenkelijk Trump-achtig niveau. Het dieptepunt van de plaat is de sample van Nina Simone’s versie van Strange Fruit – het meest droevige en gevoelige antiracismelied denkbaar – in het nummer Blood On The Leaves, waarin Kanye klaagt dat hij z’n liefje kwijt is waardoor ‘ie even niks te neuken heeft… Goed, dat vergeten we voor het gemak dan ook maar even. Humbug.

Even fascinerend is ook het minimale hoesje waarin Yeezus verscheen. Geen foto’s, geen boekje. Alleen een doorzichtig doosje met de cd er in. Koud en kaal als de muziek zelf. Op het cd-doosje is een opzichtige oranje sticker geplakt, maar daar staat verder geen naam op ofzo. De titel is genoeg. Is dit een soort bescheidenheid van de heer West? Nee, natuurlijk niet… De Bijbel vermeldt toch ook geen auteurs op de omslag?

Meer jarige platen?

Happy birthday, Unknown Pleasures

Op deze dag in 1979 bracht Joy Divison het album Unknown Pleasures uit. So happy birthday!

Pas wat langer na de zelfmoord van zanger Ian Curtis, op 18 mei 1980, brak de cult rondom Joy Division en de enige plaat die bij leven werd afgerond (Unknown Pleasures – meteen ook hun beste) pas echt los. Vervolgens werd er heel veel en soms heel erg kitscherig over Curtis en zijn band geschreven. Ik vroeg mij af: hoe werd het album ontvangen toen Unknown Pleasures net uitkwam? Hoe dachten critici voor en in 1980 over Joy Division? Het stomme is, voordat de cult losbarstte kregen zij niet veel publiciteit. Dus ik moest heel wat spitten in de archieven. Hier volgt een kleine bloemlezing uit Engelse kranten en tijdschriften.

Een van de eerste keren dat de naam Joy Division valt is in een recensie van journalist Paul Morley, in de New Musical Express (NME) van 3 juni 1978. Dat was dus een jaar voordat Unknown Pleasures op de markt kwam. “They’re a dry, doomy group who depend promisingly on the possibilities of repetition, sudden stripping away, with deceptive dynamics, whilst they use sound in a more hard rock manner than, say, either The Fall or Magazine”, schreef hij. “They have an ambiguous appeal, and with patience they could develop strongly and make some testing, worthwhile metallic music.” Achteraf bleek Morley gelijk te krijgen. Alhoewel? Met twee afgeronde albums (na Unknown Pleasures verscheen nog Closer, kort na de dood van Ian Curtis) heeft Joy Division te kort bestaan om van een echte ontwikkeling te spreken.

Het is verfrissend om deze oude interviews en recensies te lezen. Ze zijn nog niet doortrokken van de zelfmoordromantiek, ze zijn nog niet geïllustreerd door de schaduwrijke foto’s van Anton Corbijn of de gotische grafstenen van latere bootlegs. Alleen journalist Dave McCullough hint naar zelfmoord, in de recensie in Sounds van 14 juli 1979 – waarvan hij een soort horror-achtig verhaal maakt dat er mee eindigt dat de hoofdpersoon (Andrew) de hand aan zichzelf slaat: “Andrew walked to the bathroom. He was humming She’s Lost Control to himself when the razor slashed ecstatically like a hungry vampire.”
De plaat krijgt vijf sterren. Dezelfde Dave McCullough zoekt in augustus 1979 de band op in Manchester. Vol verwachting klopte zijn hart, maar het werd geen prettig gesprek. Ian Curtis bleef vaag over het Nazi-achtige artwork op de eerste singles en de naam van de band (‘Joy Divison’ is de benaming voor de plek in een concentratiekamp die werd ingericht als bordeel). “Ach het is maar een naam”, wuifde Curtis weg. En bassist Peter Hook kwam met een welgemeend ‘fuck off’ toen de interview geïrriteerd begon te lachen. Ze zijn ongelooflijk goed, concludeerde McCullough toen hij ze die avond live zag, maar… “They suffer from a stunning lack of anything approaching contrasting humour. The black, overseriousness denies any real, life-like communication and you are left with what is by it’s very nature a contrived, engineered set of songs.”
Journalist Mick Middles schreef ook voor Sounds. Hij vergeleek Joy Division met The Doors, Hawkwind en Black Sabbath. “Dark and loud. Sensuous, seductive and deadly.” De drums zijn disco, aldus Middles, de bas klinkt ‘moody’. En: “Ian Curtis spits out the vague lyrics. The power level rises and drops in inconsistent patterns. Orgasmic and mind-blowing.” Maar ook hij wist niet tot de eigenwijze band door te dringen. “What are the lyrics about?”, vroeg hij Ian Curtis. Die kwam niet verder dan: “I write very subconsciously. I leave it open to interpretation.”

Dus moest het journaille maar interpreteren. Als referenties werden schrijvers als J.G. Ballard, William S. Burroughs en Louis-Ferdinand Céline genoemd. Logisch, Joy Division kopieerde gewoon een boektitel als Atrocity Exhibition van Ballard of de onderwereld Interzone van Burroughs. Ian Curtis heeft ze allemaal gelezen, vertelde hij Alan Hempsall in 1980 in een interview voor het scifi-magazine Extro, maar dan weer: “Subconsciously I suppose something must stick but I’m not influenced consciously by them.” Pfff. Het bleef vaag.
Muzikaal gaf hij wel wat voorkeuren prijs: A Certain Ratio, Magazine, The Fall en Bauhaus. Die laatste band werd later veel genoemd als een van de meest schaamteloze Joy Divison-ripoffs denkbaar. (Onterecht overigens, Bauhaus had heel wat meer in haar mars.)

Een van de ‘vrienden’ van de band was journalist Jon Savage van Melody Maker. Misschien omdat hij ook uit Manchester kwam? Maar misschien ook wel omdat Savage op zijn beurt ook lekker vaag – en lekker gezwollen uit de hoek kon komen. Al in 1979 schreef hij over het einde van de twintigste eeuw en de hang naar nostalgie die dat vergezelde. Hij schreef over Joy Division als soundtrack van het verval van de Westerse samenleving, maar hij noemde het nummer She’s Lost Control ook ‘Gary Glitter meets the Velvet Underground’. En ergens in alle overtrokken woorden zette Savage precies neer waar het bij Joy Division en Ian Curtis om draaide: “Ultimately, in their desperation and confusion about decay, there’s somewhere a premise that what has decayed is more valuable than what is to follow. The strengths of the album, however, belie this. Perhaps, it’s time we all stand facing the future. How soon will it end?”

Dat einde kwam veel te vroeg. Op 18 mei 1980 werd Ian Curtis gevonden, nadat hij zichzelf had verhangen in zijn eigen huis. Hij liet een vrouw en een dochtertje na. En een mythe die tot vandaag voortduurt – compleet met een verkeerd soort romantiek. Kort na Curtis’ dood had Jon Savage weer een vooruitziende blik. “Now, no one will remember what his work with Joy Division was like when he was alive“, schreef hij in Melody Maker. “It will be perceived as tragic rather than courageous.” Meteen al in juni 1980 verafschuwde de journalist de zwarte kitsch die jarenlang bleef rondgalmen. “To mythologise and canonise him as a romantic pessimist who died for his art is to have a corpse in your mouth. It’s also to miss the point and give credence to a myth that is out of date (Chatterton in the early 18th century) and damaging in these bad times.”

Eigenlijk geldt dit nog steeds. We mogen Curtis’ dood het beluisteren van Unknown Pleasures niet laten kleuren. Integendeel: juist zonder die zwarte kitsch is het zo’n enorme wereldplaat!

Meer jarige platen?

Happy birthday, Agætis Byrjun

Op deze dag in 1999 bracht Sigur Rós het album Ágætis Byrjun uit. Til hamingju með afmælið!

We are simply gonna change music forever, and the way people think about music. And don’t think we can’t do it, we will.

Dat is nogal een boude uitspraak bij je tweede album, als je van je debuutplaat nauwelijks meer dan driehonderd exemplaren hebt verkocht… Toch deinsde de IJslandse band Sigur Rós er niet voor terug in 1999. Terecht niet. Hun profetie kwam uit. Met Ágætis Byrjun (Goede Start in het Nederlands) wisten ze met hun slepende non-conformistische en onconventionele klanken een wereldpubliek te bereiken – met een beetje hulp van Brad Pitt, Gwyneth Paltrow, Thom Yorke en Chris Martin, series als CSI en 24, Nissan-reclames, en natuurlijk Tom Cruise en Cameron Crow die maar liefst drie Sigur-songs gebruikten in de film Vanilla Sky.

Maar het is vooral op hun eigen merites dat de band aan het begin van de 21e eeuw – als de plaat eenmaal overal ter wereld is uitgebracht – zo’n doorbraak maakte. Dat is bijzonder, want het geluid van Sigur Rós was – en is – beslist niet doorsnee. En toch… Het is zo’n cliché, maar je komt er niet onderuit. Ágætis Byrjun is de soundtrack van het onherbergzame en tegelijk prachtige IJsland. Dan verval je al snel in het soort reisgidsentaal dat je heel vaak in Sigur Rós-recensies leest. De plaat doet denken aan dampende, borrelende geisers, mistflarden boven koude fjorden, het eb en vloed van de ijszee, lava uit vulkanen, het noorderlicht erboven, zwarte steengronden en nergens een boom te bekennen. De muziek is sprookjesachtig en eh, eh, eh… boreaal (in de niet-besmette betekenis van anno 2000).

Na de wat morsige debuutplaat klinkt Ágætis Byrjun als een klok. Dat is vooral dankzij het nieuwe bandlid Kjartan Sveinsson, die kon componeren en orkestarrangementen schrijven, en producer Ken Thomas (bekend van werk voor zowel Queen als voor Einstürzende Neubauten en Björk). Elektronica, gitaren, blazers, violen, fluitjes, alles komt langs. De plaat grijpt je – na meer dan twintig jaar nog steeds! – bij de strot. De magie begint al na een paar minuten, als na een ambient-achtig intro met iets wat lijkt op het sonargeluid van een onderzeeër het nummer Svefn-g-Englar (Slapende engelen) pas echt losbarst met een soort donkere wolken van fuzzgitaar met strijkstok, en dan de ijle stem van zanger Jonsí die iets in zijn eigen taaltje zingt. Je weet niet wat ‘ie zingt: ‘Itjuu-u’ of misschien wel ‘It’s you’?
Minstens zo aangrijpend is het nummer dat erna komt: Staralfúr (Starende Elf), zwaar georkestreerd met een twinkelende piano maar tegelijk met rare dissonante geluiden op de achtergrond. En wat te denken van Hjartaõ Hamast bamm bamm bamm (Hart Bonst boem boem boem)? Dat begint met een groovy orgeltje, maar al snel barsten weer die gitaardonderwolken los om te eindigen in uiteindelijk een rare ruis. Niets is hard en lawaaiig zoals bij de zoveelste metalband, of doomy zoals veel postrock, maar alles is slepend. Slepend. Sleeeeepend traaaag. Sigur Rós neemt er de tijd voor. De tien nummers op de plaat blijven zelden beperkt tot vijf a zes minuten. Ágætis Byrjun duurt dan ook bijna anderhalf uur. Maar je hoeft je geen moment te vervelen!

Dat hoor je ook op het tien minuten durende Viõrar Vel Til Loftárása (Goed Weer Voor Een Luchtaanval), dat heel langzaam opbouwt met musical-achtige vioolpartijen – een soort van verziekte Sound Of Music – maar op driekwart losbarst in slepende gitaar, echopartijen en die Jonsí-falsetto. Weer zo’n magisch moment!
Ander hoogtepunt op de plaat is Olsen Olsen. De teksten op Ágætis Byrjun zouden met een intensieve Google-translate sessie nog wel uit het IJslands te herleiden zijn, als je daar waarde aan zou hechten. Maar Olsen Olsen is andere koek. Jonsí zingt hier in een zelfbedacht taaltje: Vonlenska – zogenaamd uit het eiland Von, Hoop in het Nederlands. Het is de voorbode van hun volgende album, met de eigenaardige titel () die helemaal in het Vonlenska is gezongen. Dat soort taalexperimenten is altijd fascinerend (denk ook aan I Zimbra van de Talking Heads of Warszawa van David Bowie). Olsen Olsen bewijst – net als al dat onbegrijpelijke IJslands op de rest van de plaat – dat muziek iets universeels kan zijn, niet gebonden aan taal of aan grenzen. Niet voor niets bereikte Sigur Rós wereldfaam in 2000, terwijl niemand een jota van de teksten begreep. Nog maar eens een cliché: het gaat niet om de woorden, het gaat om het gevoel.

Heeft Ágætis Byrjun dan de muziek voor altijd veranderd? … Qua geluid misschien wel. De wereld stond opeens open voor hele nieuwe, exotische klanken. Dat was verfrissend. Een Goede Start van de 21e eeuw – die we anno 2020 misschien nog wel beter kunnen gebruiken dan toen.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Exodus

Op deze dag in 1977 brachten Bob Marley & The Wailers het album Exodus uit. So happy birthday!

Ik had nooit zoveel met Bob Marley. Ik had meer met Doris Day (Que sera) en kerstliedjes (herdertjes). Totdat drie kleine vogeltjes stormenderhand het Ajax-stadion veroverden, zoals die jongens ook spelen: tegelijk nonchalant en onoverwinnelijk. Don’t worry ‘bout a thing, ‘cause every little thing is gonna be allright…

Nee hoor, grapje. Als kind werd ik al gegrepen door de Jamaicaanse bard. Flarden van zwart-oranje BASF C90-cassettebandjes schieten nu door mijn hoofd, vol getapet met die relaxte backbeat – een beetje dof geworden was dat geluid wel door het vele afspelen en met af en toe een wrongel in de reggae die er niet in thuis hoorde, omdat de tape was vastgelopen en weer losgepeuterd. Die ene live-elpee had ik opgenomen, met No Woman No Cry er op. En de elpee Uprising, natuurlijk, met daarop het prachtige Redemption Song (waar Lauryn Hill vele jaren later haar Miseducation-liveshows mee opende – ik krijg daar nog steeds kippenvel van).

Maar ergens na mijn puberteit ontwikkelde ik weerzin tegen Bob Marley en zijn Wailers. Dat komt omdat zij eeuwig en altijd in coffeeshops worden gedraaid. Dus associeer ik de muziek meteen met de slome donders daar, die holle ogen die eentonig hun uitkering omzetten in rook. Ik kan er niks aan doen. De wazigen tussen de hasjwalmen, hoe weinig energie gaat daar vanuit? En – hoe volop ook Bob aan de tjonko’s trok – hoe weinig heeft dat met de stralende inspiratie van Marley te maken? Niks noppes nada. Het is irritant. Er zou eigenlijk een Bob-verbod voor coffeeshops moeten komen.

Ja, ik moet dat allemaal los zien, ik weet het. Luisteren alsof de rook om mijn hoofd is verdwenen. Pfff. Naar aanleiding van de verjaardag van het album, blies ik de stof weer eens van Exodus voor een trip-down-memory-lane…
Die begint in stilte… en langzaam komt een reggae-gitaar opdoemen en dan – rakketakketak! – een trommeltje en vervolgens staat het strakke ‘riddim’ als een huis. En dan…
There’s a natural mystic / Blowing through the air / If you listen carefully now you will hear

… Welkom op Exodus, Bob Marley’s meesterwerk uit 1977! De plaat waar overduidelijk Ernst Jansz en Henny Vrienten de mosterd haalden voor Doe Maar. Met vleugjes dub-effecten – en Lee ‘Scratch’ Perry achter de mixtafel – luister vooral naar die extra tracks op de luxe uitgave. Exodus, de plaat vol wereldhits: Jamming, Waiting In Vain, de titeltrack, One Love en het huidige Ajax-anthem Three Little Birds. Opgenomen in ballingschap in Londen, na een politieke moordaanslag op Marley in zijn huis op Jamaica. Toen punk de Britse hoofdstad veroverde (New wave, new craze / The Damned, the Jam, the Clash / Wailers still be there, zingt Bob Marley in Punky Reggae Party). Exodus, een plaat vol Rastafari, reggae en revolutie. Vol liefdesliedjes en gloedvolle soul – People Get Ready van Curtis Mayfield zit vastgeplakt aan One Love aan het eind. Een album vol van opstand en van strijd. Politiek protest en poëzie, militant en pacifistisch tegelijk.

Dat allemaal, zo gelaagd dus, en dan klinkt Exodus vooral zo lékker. De plaat is open en helder geproduceerd. De Wailers spelen strak en smooth tegelijk. Ze lijken wel een soepele machine, met syncoperende ritmes, repeterende koortjes, het kort aanslaan van de gitaar, het pompende orgeltje en de diepe diepe bas. En daarbovenop klinkt dan die ietwat schorre, maar o zo soulvolle stem van Marley. Tja, dat valt gemakkelijk te pruimen in welke staat je ook verkeert. Het is niet zo gek dat Exodus regelmatig is uitgeroepen tot beste reggae-plaat ooit en door Time-magazine zelfs tot de ‘belangrijkste plaat van de twintigste eeuw’. Ik weet niet wat die recensent gerookt heeft, maar zover wil ik niet gaan. Wel is Exodus er eentje die je vaker en vaker moet draaien, ook buiten het stadion of de coffeeshop.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Night And Day

Op deze dag in 1982 bracht Joe Jackson het album Night And Day uit. So happy birthday!

Music has charms they say
But in some people’s hands
It becomes a savage beast
Can’t they control it
Why don’t they hold it back

… zingt Joe Jackson in A Slow Song, de afsluiter van Night And Day. En dat is precies wat hij wél deed, begin jaren tachtig, na de ‘savage beasts’ die hij ervoor maakte: twee platen vol scherpe gitaarpop (Look Sharp, I’m The Man), een plaat met speedy rockreggae (Beat Crazy) en Jumpin’ Jive vol snelle jaren veertigswing a la Duke Ellington.

Na die platen, een druk toerend bestaan en vooral een zware scheiding vluchtte Joe Jackson naar New York om daar tot rust te komen. Om daar Cole Porter-achtige liedjes te schrijven. Tin-pan Alley-songs, zoals ze ze zo mooi noemen, of ‘the Great American Songbook’. Een beetje melancholisch over New York doen, zeg maar, zoals kort daarvoor Billy Joel ook deed. Maar al gauw werd het voor Joe Jackson – die een ster is in het opzuigen van culturen – veel meer dan dat. Joe ontdekte de salsa en de latin swing. “In England, the only salsa record you could get for years was a collection by the Fania Allstars”, vertelde hij de New York Times in 1982. “When I finally came to New York five years ago, I saw literally hundreds of salsabands and bought a lot of salsa records. I have a real empathy with latin piano and I became a fan of Eddy Palmieri. A lot of my keyboards on the album are a ripoff of his style, though I like to think that he wouldn’t mind.” Cole Porter en Eddy Palmieri werden dus de bouwstenen. Alles draaide om de piano. Gitaren werden taboe verklaard. En – toch een beetje vreemd in salsa en latin – blazers maakten plaats voor keyboards. Hoe dat klonk? Night And Day werd een gestroomlijnde afspiegeling van de New Yorkse invloeden, vernuftig, lekker in het gehoor, een beetje kitscherig misschien.

Zo ontstonden negen ijzersterke songs, verdeeld over een Night-side en een Day-side. De hele kant A (Night) kun je beluisteren als een soort suite. De vijf nummers lopen in elkaar over en voeren de Englishman-in-New-York door het nachtleven, langs Chinatown en Harlem, langs tetterende tv’s (TV Age) en stadse stress (Target) om te eindigen met de grootste hit van de plaat: Steppin’ Out – een smooth swingende liefdesverklaring aan de stad. De dagkant bestaat uit drie pianoballads (waaronder de ontroerende scheidingssong Breaking Us In Two) plus het meest salsa-achtige nummer van de plaat: Cancer, waarop te horen is hoe virtuoos Joe Jackson kan soleren op de toetsen.

Het album werd destijds heel wisselend ontvangen. “The title, borrowed from Cole Porter, and the Art Deco-ish cover suggest Jackson is striving for a cosmopolitan theatricality”, schreef People’s Magazine in 1982. “Jackson ends up with, however, neither an original idea, nor an old one cleverly put.“ Au. Ook hekelt het blad zijn houtenklazerigheid. “Where his clunky phrasing doesn’t torpedo things, his humorless tone does.” De derde single van de plaat viel al helemaal niet in goede aarde. Real Men werd alleen een hit in Nederland (en wát voor een!). Maar de Angelsaksische wereld was nog niet klaar voor het antimacho-statement van de biseksuele bard, een ‘anthem for softness’ zoals hij het zelf noemde. En de frase ‘don’t call me a faggot, not unless you are a friend’ was niet radiofähig, zo begin jaren tachtig. Alleen de New York Times was juichend in 1982: “The album’s most far-reaching song, Real Men, adress contemporary sexual anxiety in a mixture of graceful chamber music and punchy pop-rock. Songs as probing and compassionate as these aren’t the eruptions of an angry young man but the polished, thoughtful artifacts of an important pop-rock voice just beginning to hit his artistic stride.”

Dat Real Men speelde hij dan ook nauwelijks en plein public toen Joe Jackson het jaar daarop op wereldtournee ging. Het zij hem vergeven. De concerten waren sowieso een feest. Dat bleek wel op 16 april 1983 in de Grugahalle in Essen. Tijdens een opname voor het legendarische Duitse televisieprogramma Rockpalast gaf Joe Jackson een perfecte show. Gitaarloos. Vol met percussie en met de twinkelerende piano als rode draad. Het concert kent beroemde momenten, zoals de a capella uitvoering van het nummer Is she really going out with him? (ook een hele grote hit in Nederland) en een spetterende Motown-medley. En de verbluffende uitsmijter A Slow Song – de romantische ode aan de klassieke ballad en daarmee misschien wel de kernachtige samenvatting van Night And Day.

But I’m brutalized by bass
And terrorized by trebble
I’m open to change my mood but
I always get caught in the middle

And I get tired of DJ’s
Why’s it always what he plays
I’m gonna push right through
I’m gonna tell him too
Tell him to
Play us
Play us a slow song


Night And Day:


Joe Jackson in Rockpalast

Meer jarige platen?