Four Rooms: David Lynch in Tsjernobyl

Vandaag dertig jaar geleden ontplofte de kernreactor in Tsjernobyl. Het gebied werd meteen hermetisch afgesloten. Inmiddels raakt het weer bewoond en is Tsjernobyl zelfs een toeristische trekpleister. Maar jarenlang was het hier – letterlijk – doodstil. Die stilte is tot de tiende macht te horen op de cd Four Rooms (2006) van Jacob Kirkegaard.

4rooms

Openluchtmuseum
Zo schokkend als de radioactieve ramp was (al wisten we in 1986 door de Sovjetcensuur niks over de hals-over-kop deportaties of de ‘schoonmaakploegen’ die slechts 40 seconden buiten mochten werken), zo surrealistisch was de situatie in de jaren daarop. De straal rond Tsjernobyl werd het Pompeii van de 20e eeuw. Niet de explosie zette de tijd stil, maar de (veel te late) deportaties. Omringd door zieke roodverkleurde bossen zonder zingende vogels, lag hier een verlaten wereld. Het meest treffende beeld is nog wel dat van een eenzaam roestend reuzenrad. De zone werd een bizar en onbereikbaar openluchtmuseum. Terwijl de Sovjet-Unie uit elkaar viel, lagen hier de gedetailleerde sporen van het leven in een communistische modelstad als Pripyat onaangeroerd. Voer voor moderne archeologen. Maar ja, die straling…

kirkegaard1

Alienation
En voer voor romantici. Want wat een desolate plek moet die ‘zone of alienation’ zijn geweest! (Nog steeds, trouwens, de toeristen ten spijt.) En dat gevoel wilde de Deense geluidskunstenaar Jacob Kirkegaard in 2006 hoorbaar maken. Hij nam de indringende stilte op in vier gebouwen, waar de wind de opnamen niet zou storen. Telkens iets meer dan tien minuten lang. Vervolgens speelde hij de tape in dezelfde kamer af, en registreerde dat mengsel van opgenomen en werkelijke stilte opnieuw. Dit proces herhaalde hij telkens tien keer.

kirkegaard2

Lugubere subtiliteiten
Zo worden de stiltes in de vier kamers (in een school, een auditorium, een zwembad en een kerk) uitvergroot tot een soort van ruisende klanksculpturen. Ambient music, met een beetje goede wil. Het lijkt saai, zo’n conceptuele, bijna theoretische aanpak. Maar alle vier de ‘stiltes’ hebben een heel eigen klankkleur. En er gebeurt genoeg. Als je aandachtig luister hoor je hele lugubere subtiliteiten. Wat is bijvoorbeeld die hoge toon die opeens opdoemt in het auditorium? De opname in de kerk klinkt helemaal spookachtig: met een beetje fantasie hoor je hier het kerkorgel nog naresoneren van de reactorklap. Voor alle tracks geldt: je voelt de ultieme eenzaamheid, het verval en het onzichtbare maar overal aanwezige gevaar. Maar op een vreemde manier zijn dit geen depressieve stukken. Ze klinken eerder licht. Four Rooms heeft dezelfde beklemmende en surrealistische schoonheid als de beste David Lynch-films.

Een bijzonder stuk geschiedschrijving in geluid.


Dit stuk is eerder geschreven voor het webmagazine Eeuwig Weekend.

Eco schrijft geschiedenis: een interview

Vandaag werd bekend dat Umberto Eco is overleden. We zeggen: bedankt voor al die kloeke boeken en mooie gedachten. Die zijn voor eeuwig. Maar de man, die gaan we heel erg missen. Ongeveer vijftien jaar geleden interviewde ik Eco in Amsterdam. Zijn boek Baudolino was net verschenen. We spraken over de filosofie van de leugen, theologische twisten op leven en dood, stommiteit in literaire kringen en seks met een geit. Lees mee. 

baudolino4AMSTERDAM, 2001 – De vergelijking ligt voor de hand. De drukte in het Amsterdamse Hotel Ambassade doet denken aan de hofhouding van keizer Barbarossa, de achtergrond van Umberto Eco’s nieuwste roman Baudolino. Spil in de drukte is ditmaal niet Barbarossa. Het is de schrijver zelf, met zijn volle zwartgrijze baard. Barbanostra. Maar daarmee houdt de vergelijking met de middeleeuwse keizer ook op. Gezien zijn jeugdig elan en de twinkeling in zijn ogen lijkt Eco nog het meest op zijn nieuwe romanheld: schelm en bedrieger Baudolino.

“Ik ben hier niet om de inhoud van Baudolino in het kort te vertellen”, zo begint Umberto Eco het gesprek. “Dan had ik net zo goed thuis kunnen blijven en een telegram kunnen sturen.” Toch is een korte inhoud wel handig voor wie het boek nog niet gelezen heeft, dus die taak neem ik dan maar op mij. Hierbij – ter introductie – het verhaal van Baudolino in telegramstijl:

+++ B. geboren 1142 in dorp bij Alessandria STOP Is ook Eco’s geboortestad STOP Bij toeval geadopteerd door keizer Barbarossa STOP Weet zich aan hof te handhaven door liegen en bedriegen STOP Schelm doet dat op sympathieke wijze STOP Wint iedereen voor zich STOP Verzint brief van mythische Priester Johannes om keizer status te verlenen STOP Brief rept over paradijselijk rijk aan de rand van wereld STOP B. gelooft in eigen leugen STOP Gaat op zoek naar rijk van Priester STOP Wonderbaarlijke omzwervingen in het Verre Oosten STOP Belandt uiteindelijk in Byzantium STOP +++

Leugenachtig

baudolino2De 62-jarige Baudolino vertelt zijn levensverhaal aan Nicetas Choniates, een schrijver van Historiën die de laatste dagen van Byzantium optekent. Deze twijfelt of hij Baudolino een plek in zijn verhaal moet geven, hij heeft die dagen tenslotte met hem doorgebracht. Zijn vriend Paphnoutios praat het hem uit zijn hoofd, waarop Nicetas verzucht: ‘Het was een mooi verhaal. Jammer dat niemand er ooit kennis van zal nemen.’ Paphnoutios antwoordt hem: ‘Je moet niet denken dat jij op deze wereld de enige geschiedschrijver bent. Vroeg of laat zal iemand het verhaal vertellen, iemand die nog leugenachtiger is dan Baudolino.’

Die leugenaar heet Umberto Eco. Net als Baudolino speelt hij een spel met de werkelijkheid en daarin is hij zeer bedreven. Eco is niet iemand die verhalen zomaar uit zijn duim zuigt. In zijn romans moet alles met alles kloppen. Bovendien pleegt de schrijver uitgebreid research en baseert zich op de juiste historische bronnen.

Eco is gefascineerd door het grijze gebied tussen waarheid en onwaarheid. “In de geschiedenis is vaak gebleken dat vergissingen tot grote ontdekkingen leiden. Het beroemdste voorbeeld is Columbus, die dacht dat hij een nieuwe route naar Indië had gevonden. Het zijn vaak valse documenten die de loop van de geschiedenis gaan bepalen. Dat gebeurt ook in Baudolino. Zijn verzinsels zetten anderen ertoe aan om de wereld te gaan verkennen.” Volgens de schrijver werd er niet alleen in de middeleeuwen vervalst om mensen te beïnvloeden. Hij noemt voorbeelden als de Golfoorlog en de Falklands-oorlog, waarbij ook onechte beelden en berichten als propaganda werden gebruikt.

baudolino1Fictieve creaties

De hoogleraar semiotiek aan de Universiteit van Bologna laat zich verleiden tot een kort college over de filosofische betekenis van de leugen. Eco: “Het concept van de leugen is pas definitief te weerleggen als de waarheid fysiek bewezen is. Zolang dat niet het geval is zijn begrippen als ‘leugen’ en ‘waarheid’ irrelevant. Dan past de benaming ‘geloof’ of ‘religie’ beter. Zo kan je bijvoorbeeld statements van de Taliban geen leugens noemen. Het enige dat we kunnen zeggen is dat het fictieve creaties van woorden zijn.”

De stand van de wetenschap in de middeleeuwen was nog lang niet zover dat veel waarheden fysiek bewezen konden worden. Dus de vatbaarheid voor fictieve creaties was groot. Baudolino spint daar garen bij. Aan de lopende band verzint hij theorieën. Om die kracht bij te zetten creëert hij relieken (zoals de beenderen van de Drie Heiligen uit het Oosten en zelfs de Heilige Graal). Hij verzint zelfs een wereldkaart waarmee het rijk van Priester Johannes te vinden is. Met die kaart gaat de groep uiteindelijk ook op reis.

baudolino5

 

Racistisch

Baudolino en zijn kameraden krijgen Priester Johannes niet te zien. Na een wonderbaarlijke reis strandden zij in een stad aan de rand van zijn rijk. Daar blijkt alles heel anders te zijn dan in de westerse wereld. Eco: “De stad Pndapetzim wordt bevolkt door een aantal middeleeuwse fantasiefiguren, zoals de sciapodes, de blemmyae en de panoti. In tegenstelling tot ons mensen – bijvoorbeeld Baudolino en zijn groep – zien zij zelf onderling geen enkel verschil in uiterlijk, terwijl de verschillen toch erg groot zijn. Zij zijn fysiek totaal niet racistisch. Maar zij zijn racistisch in de geest. Elk volk hangt een andere Christelijke traditie aan. De theologische verschillen zijn miniem, maar ze zijn bereid om elkaar daarvoor de keel af te snijden.”

Eco houdt wel van dit soort narratieve constructies voor de oplettende lezer. Het is precies het tegenovergestelde van de huidige maatschappij. Maar Eco benadrukt: “Het weerspiegelt wel de samenleving van die dagen. In de middeleeuwen werd je niet afgerekend op je uiterlijke kenmerken. Het waren de theologische twisten die leidden tot het bloedvergieten van bijvoorbeeld de inquisitie of de kruistochten.”

baudolino3Parasol

Umberto Eco heeft de bizarre creaturen niet zelf verzonnen, maar opgepikt uit middeleeuwse ‘encyclopediae’ en ‘bestiarii’. Eco: “Het zijn figuren uit legenden en mythen. Als ik iets over ze zie of lees slaat mijn verbeelding op hol. Zo’n sciapode bijvoorbeeld, die heeft maar één been. Ik ga mij zitten afvragen waar zijn penis dan zou zitten. Bij de sciapodes kwam ik er niet goed uit, achter het been heb ik maar verzonnen. Bij de panoti is het nog gekker. Die hebben hun geslachtsorganen op borsthoogte zitten.”

De wezens in Eco’s Baudolino zijn eigenlijk al veel ouder dan de middeleeuwse boeken. Al in de Griekse oudheid werd er geschreven over mensen met één been waarop ze razendsnel voortbewogen. Ze hadden een voet zo groot dat ze die als parasol tegen de zon gebruikten als ze uitrustten. De schrijver Scylax, die naar Perzië reisde in de zesde eeuw voor Christus, situeerde de wezens in India. Dat komt ruwweg overeen met de geografische ligging van Pndapetzim in Eco’s boek. We hadden ook niet anders verwacht van de meester van de eruditie.

Net als de sciapodes behoren blemmyae (mensen zonder hoofd, met het gezicht op de borst) en panoti (mensen met buitensporig grote oren) tot de ‘plinische rassen’, genoemd naar de Romeinse geleerde Plinius uit de eerste eeuw na Christus. Plinius beschreef in zijn bestiarium ook de hondskoppige cynocephali en de eenogige cyclopes, maar die spraken blijkbaar minder tot Umberto Eco’s verbeelding. Zij zijn niet te vinden in Baudolino.

Verliefd

Uit de Egyptische mythologie komt Hypatia van Alexandrië, en Eco heeft om haar heen een vrouwenvolk geschapen. De hypatia leven in de wouden buiten Pndapetzim. De vrouwen hebben allemaal de naam Hypatia. Eco laat eigenlijk in het midden of het om één wezen of om een heel volk gaat. Het gebeurt vaker dat een auteur verliefd wordt op een van zijn personages, maar dat zijn dan nog altijd mensen. Vrouwen of mannen, met alles erop en eraan. Umberto Eco gaat nog een stapje verder: hij werd verliefd op een van zijn fantasiecreaturen. In Baudolino staat een prachtige liefdesgeschiedenis, waarin de hoofdpersoon valt voor een van de hypatia. Hypatia is een erudiete, maar vooral ook beeldschone vrouw. De gevoelens blijven dan ook niet lang platonisch, en de liefde wordt geconsumeerd. Als Baudolino al zoenend over haar borsten en buik omlaag gaat wordt ze steeds hariger. Als Hypatia haar mantel open slaat blijkt ze het onderlichaam van een geit te hebben. Het kan Baudolino niet van zijn stuk brengen. Zijn liefde voor het wezen blijft even groot. Net als die van haar schepper. “Toen ik over de hypatia schreef voelde ik me uitzinnig als een jonge man. Ik was verliefd, ja” zegt Umberto Eco, om er vervolgens lachend aan toe te voegen: “Maar het is niet autobiografisch, hoor! Ik heb nooit seks met een geit gehad.”

Volkstaal

baudolino6Leugenaar Eco verzon niet alleen een levensgeschiedenis. Hij verzon ook een middeleeuwse volkstaal. Het eerste hoofdstuk van het boek is door Baudolino zelf geschreven in een mengeling van Italiaans en Latijn. Daarmee maakte de schrijver het niet makkelijk voor zijn vertalers. Umberto Eco: “Het Italië van de twaalfde eeuw kende nog geen vastgelegde volkstaal. Ik had zelf dus volledige vrijheid, zolang er maar geen vliegtuigen of horloges in voorkwamen. Voor veel Noord Europese landen ligt dat anders. In Frankrijk was al Le Troubadour in de volkstaal geschreven, en in Duitsland de Minnesänger. In het middeleeuwse Engels zijn talloze werken geschreven. Vertalers uit deze landen, en ook uit Nederland, hadden dus rekening te houden met bestaande woorden en zinsconstructies. Dat maakte het veel moeilijker. Ik geloof dat de Nederlandse vertalers (Yond Boeke en Patty Krone – LD), met de hulp van professor Herman Pleij, zich er heel goed uit hebben gered.”

Stommiteit

Umberto Eco koos niet voor niets voor het gebruik van volkstaal boven dat van het Latijn in zijn eerste hoofdstuk. In tegenstelling tot zijn andere ‘middeleeuwse boek’, De naam van de roos, dat was geschreven vanuit het perspectief van de ‘elite’ (priesters en monniken), is Baudolino geschreven vanuit het volk. Boeren en krijgslieden. Zoals we het gewend zijn zit ook Eco’s nieuwste boek vol humor. Geheel in stijl valt er ditmaal niet te lachen om intellectuele spitsvondigheden. Kenmerkend zijn de absurde situaties en bizarre, soms stompzinnige dialogen. “Ik bereik een humoristisch effect door het imiteren van realistische gesprekken. Ik ben gefascineerd door stommiteit, en die kan je overal tegenkomen”, zegt Eco. “Maar vooral in literaire kringen”, lacht hij.

baudolino7Universum

Net als zijn andere drie romans – naast De naam van de roos zijn dat De slinger van Foucault en Het eiland van de vorige dag – is Baudolino zeer veelzijdig. Het is een schelmenroman a la Tyl Uylenspieghel. En passant krijgen we een geschiedenislesje over de middeleeuwen in Noord-Italië. Het is zowel een filosofisch traktaat als een bizar sprookje. Het eerste hoofdstuk is een briljante oefening in historische letterkunde, terwijl de passages over Hypiata sterk erotisch zijn. Er valt van alles in Baudolino te beleven. Het is eigenlijk een middeleeuws universum geworden.

Toch hoeven we voor Umberto Eco niet zo hoogdravend te doen. Als hij wordt gecomplimenteerd voor zijn schrijfstijl lacht hij bescheiden. “Ach, als jongetje was ik slecht in voetballen. Dus ga je boeken lezen. Dan is de stap naar zelf schrijven niet meer zo groot.”

eco

Dit verhaal is in 2001 geschreven voor Writersblock Magazine. Daar is het nog in het archief te vinden.

Bones en Oogie

(Vorige maand overleed mijn grote held David Bowie. In 2003 schreef ik dit stuk voor het legendarisch obscure internetmagazine NU WIJ WEER!. Opeens moest ik hier weer aan denken. Dankjewel, David Bowie, voor al het moois dat je bracht.)

Op een cd van David Bowie uit 2002 staat het nummer Slip Away. Het is een van de hoogtepunten uit ’s mans werk. Slip Away is slepend, en wordt dramatisch gebracht. Maar waar gaat het nummer in godsnaam over? Deze week stond ik in Ahoy en kreeg het antwoord van meneer Bowie himself. Op de setlist van het concert in Rotterdam stond ook Slip Away. Het werd aangekondigd als een ode aan ‘helden die we allang zijn vergeten’. En tijdens het nummer zagen we op het videoscherm Bones en Oogie voorbijkomen, afgewisseld met melancholische beelden van Coney Island.

oogie1

Bones en Oogie zijn karakters uit The Uncle Floyd-show, een corny kinderserie uit de jaren zeventig die nu hopeloos verouderd aandoet. De Bones en Oogie’s van Nederland zijn bijvoorbeeld Bassie (van Adriaan), Jaap Stobbe van De Poppenkraam, Bolke de Beer of de Jan Klaassen en Katrijn uit De Film van Ome Willem. Poppen en clowns die – ondanks hun steevast sardonische grijns – dertigers in hun hart koesteren. Nostalgie als remedie tegen bange oorlogsdagen, juist zo aantrekkelijk omdat de figuren elk contact met het heden hebben verloren.

Don’t forget to keep your head warm
Twinkle twinkle Uncle Floyd
Watching all the world and war-torn
How I wonder where you are

oogie2

In de tijden van Bones en Oogie leefde in het Nederlandse stadje waar ik opgroeide een dorpsgek: Dolf. Behalve dorpsgek had je ‘m ook filosoof kunnen noemen, want analoog aan Diogenes leefde hij in een betonnen buis. Dolf was bang voor “all the world and war-torn” en zocht zijn heil bij zijn vriendjes, de poppen. Hij ging over straat met drie á vier poppen in zijn hand – allen met steevast een sardonische grijns. Of hij reed ze rond in een wagentje. Dolf scandeerde door de straten: “Dag en nacht… poppenmacht!”

Dertig jaar later krijgt hij alsnog gelijk. Nu doen wij precies hetzelfde, met onze hang naar knuffels, Bert en Ernie-poppen en Jip en Janneke-figuurtjes. We zijn bang voor de boze buitenwereld en vluchten in ons veilige kinderwereldje.
Alles wat mooi en onschuldig is zien we verglijden, voorbijgaan. Vervallen als Coney Island, vervreemd als Bones en Oogie. We klampen ons vast aan de laatste strohalmen van onze jeugd.

oogie3

Zo ook in Ahoy, deze week. Hier werd jeugd herbeleefd, middels bijvoorbeeld Let’s Dance en China Girl. De man is zelf al 56 jaar, de fans 35-plus en ouder, maar toch schreeuwden ze als teenagers wanneer David Bowie tijdens het optreden eventjes hun kant opkeek. Of het nu kwam door incontinentie of door geilheid, er waren heel wat natte kruisjes die avond.
En Bowie? De handige performer gebruikte de nostalgische hits als garnituur om zijn nieuwe werk te presenteren. Hij knielde neer tussen de grijpgrage dameshanden en zong over het verglijden van de tijd, terwijl we Oogie over het videoscherm zagen stuiteren in een perverse karaoke.

Sailing over Coney Island
Twinkle twinkle Uncle Floyd
We were dumb but you were fun, boy
How I wonder where you are

Ik had even geen oog voor David Bowie. Ik dacht terug aan Dolf. “Dag en nacht… poppenmacht!” Aan Bolke de Beer en Jan Klaassen en Katrijn. Ik zag mezelf weer als 13-jarig jongetje, in net zo’n treurig reuzenrad als op Coney Island. Ik herinnerde m’n speelgoedinstrumentjes: een plastic mondharmonica en een trommel met een slap vel. De tranen stonden in m’n ogen.

stylophone

In het outtro van Slip Away bespeelde Bowie de stylophone, een elektronisch speelgoedinstrumentje uit de jaren zestig/zeventig waar magische klanken uit komen. Pas toen de laatste geluiden verstierven werden m’n dromen verstoord. De band zette keihard I’m Afraid Of Americans in, de wrede werkelijkheid van 2003.

Ach Dolf…
Watching all the world and war-torn
How I wonder where you are


Oude radioshows

In 2003 maakte ik met Arno Peeters, Bart Suèr van Dox Records, Stephen Emmer en technicus Mark Broer gewoon ouderwetse Hilversum 3-radio, maar dan op Radio 4. Het ging allemaal om Nederlands talent. De tien afleveringen van het legendarisch obscure programma BlackBox staan nu online.

Naast research en redactie en een beetje regie, had ik in BlackBox een gesproken column: ‘Hollandsch Glorie’. Daarin blikte ik terug op oude Nederlandse platen. Oh ja, en ik zocht gekke internetgeluiden voor de rubriek ‘Sil de webjutter’!

Deel 1, met als gasten onder andere VPRO’s Gerard J. Walhof, C-mon & Kypski en DJ Aardvarck. Hollandsch Glorie met Kiem – It’s Working.

Deel 2, met als gasten onder andere Pete Philly en Pascal Plantinga. Hollandsch Glorie was gewijd aan de Minny Pops.

Deel 3. In Hollandsch Glorie ging ik naar de hemel op de klanken van Wim Mertens.

Deel 4, met als gast onder andere Tröckener Keck Rick de Leeuw als dj. In Hollandsch Glorie blikten we terug op Ronflonflon met Jacques Plafond.

Deel 5, met als gasten onder andere gothic rockers  Orbis Pictus. In Hollandsch Glorie: de eerste plaat van Mathilde Santing.

Deel 6, met The Devil van Urban Dance Squad.

Deel 7, met een column over Gore en als gasten onder andere Harco Pront en Benny Sings.

Deel 8, met als gasten onder andere wijlen Roy Avni (Electronation)Stefan Kruger (toen drummer bij Zuco 103) en Radboud Mens. Hollandsch Glorie ging over W.F. Hermans en The Nits.

Deel 9, met een terugblik op de wolken geluid van Mekanik Kommando en als gasten onder andere… De Hondenkoekjesfabriek!

Deel 10, met als gasten onder andere Jerney Kaagman en de ‘Nederlandse Klaus Schulze’: Ron Boots. In Hollandsch Glorie twee oude liefdes: Gotcha! en Ajax.

Desolate cijferreeksen

‘Number stations’ zijn bij het grote publiek niet erg bekend. Dat is niet zo gek: lange tijd werden ze voor iedereen geheim gehouden. Totdat in 1997 een stel radiofreaks The Conet Project uitbrachten, een duik in de geheimzinnige wereld van de spionagezenders uit de Koude Oorlog en erna.

De ether is een vreemde wereld. Althans: de krochten van de ether. Draai je radio eens ver weg van de blokjes infotainment op de publieke omroep of van alle top 50 hitstations, en je stuit op mysterieuze cijferreeksen in allerlei talen. Deze zijn afkomstig van zogenaamde ‘shortwave number stations’.

Hungarian_Embassy_Closeup

Klik op foto voor groot formaat

Wat zijn die number stations? Tijdens, maar ook na de Koude Oorlog (en nu nog steeds) zonden inlichtingendiensten via de kortegolf gecodeerde boodschappen naar hun geheimagenten in het veld. Die boodschappen bestaan uit cijferreeksen in verschillende formaten en lengtes. Elk cijfer is éénmaal opgenomen, wat een vervreemdend effect oproept. De boodschappen klinken tegelijk menselijk en onmenselijk, vergelijkbaar met de stemsamples die je bij een telefoondienst of op het station hoort.

“Achtung Achtung”

dorchester_antenna_closeup

Klik op foto voor groot formaat

Iedereen kan die berichten via een transistortje beluisteren. Meestal beginnen ze op het hele uur, duren tientallen minuten en worden een etmaal herhaald. Je hebt er alleen niks aan. De eenmalige ontcijfercodes – zogenaamde ‘one time pads’ – zijn nooit te achterhalen, omdat die maar bekend waren bij twee personen: zender en ontvanger. In al haar eenvoud is het antieke systeem niet te kraken. De gesproken spionnenboodschappen worden vaak voorafgegaan door flarden muziek (waarin misschien ook weer een verborgen boodschap schuilt?). Dan klinken enkele cijfers, gevolgd door een attendering (“Achtung! Achtung!” of een bel of een gong of een piep). En dan volgt de – schijnbare – kerninformatie.
Het is tegelijkertijd fascinerend en frustrerend dat je geen enkel idee hebt wat er door middel van die cijferreeksen wordt gecommuniceerd. Persoonsgegevens? Nucleaire geheimen? De opdracht om iemand om te leggen? Plaatsbepalingen van UFO’s?
En wie verzendt die info? KGB, CIA, Mossad, MI6 of andere obscure spionagediensten? Drugssmokkelaars of terreurnetwerken á la Al-Qaida? Het wordt nooit duidelijk wie er achter de zenders zitten. En er is geen regering die hun bestaan bevestigt. Of er überhaupt ook maar iets over loslaat. De locatie van de versterkstations is wel te peilen. Maar door wie wordt een antenne op het Amerikaanse platteland, die allerlei Spaanstalige cijfers uitspuugt, aangestuurd? En naar wie gaan ze toe?

“Phaphaah Notvember”

Jaren geleden kwam het experimentele muzieklabel Irdial op het geweldige idee om een aantal opnamen van number station in een cd-box uit te brengen onder de titel The Conet Project: Recordings of Shortwave Number Stations. De naam Conet Project komt van het verkeerd verstane Tsjechische woord ‘konec’, dat ‘einde’ betekent en dus altijd de boodschappen van een Tsjechisch station afsloot. De box bestaat uit vier cd’s met in totaal meer dan 150 flarden, in lengte variërend van enkele seconden tot een minuut of zeven. Wil je ze allemaal beluisteren dan ben je wel vijf uurtjes zoet. Maar dan hoor je wel het beste dat radiofreaks tussen de jaren zeventig en negentig verzameld hebben.

Met het beste bedoel ik niet de best klinkende boodschappen. Er zijn stations die je zonder enige ruis, heel helder kon en kunt ontvangen. Maar die zijn nu juist het minst interessant. De samenstellers kozen juist voor de meest spannende, meest mysterieuze opnames. En ze gingen voor een muzikale benadering. Dus je hoort die typische fluittonen van een radio die net naast de zender staat. Ruis in alle soorten en maten. Stemmen die verdwijnen en weer terugkomen en die door allerlei ethereffecten worden vervormd tot iets spookachtig blikkerigs.

Je kunt allerlei wiskundige, geschiedkundige of politicologische theorieën op het fenomeen number stations loslaten. Maar doordat Irdeal The Conet Project uitbracht als een soort kunstproject, benaderden ze de uitgezonden cijferreeksen vooral op romantische wijze. En dat werkt: je slaat meteen aan het fantaseren.

“Die Sonne scheint zuhause”

chinese_embassy

Klik op foto voor groot formaat

Alleen al de intonatie waarin de nummertjes en teksten worden opgelezen is fascinerend. Er zijn vrouwen die ze heel streng declameren, inclusief een gebiedend ACHTUNG. Maar er zijn er ook bij die het op bijna pornoachtige wijze doen. Zucht threee zucht niiinnnee zucht seeeveeen. (Gevolgd door een supergeil I’ll say again.) En op de zender ‘Swedish Rhapsody’ hoor je bijna psychotisch klinkende kinderstemmetjes.
Werkelijk adembenemend is het ‘Tyrolean Music Station’. Hier hoor je opnamen van een zender uit het Italiaanse Zuid-Tirol, van een groepering die destijds aansluiting zocht bij Oostenrijk. Afgewisseld met verruiste jodelmuziek en een xylofoon hoor je tegelijk cryptische als lachwekkende zinnen: “Helmut grüsst Hanz. Helmut grüsst Franz. Guten Tag. Die Sonne scheint zuhause. Unsere Henne ist dabei ein Ei zu legen. Alles gut. Auf wiederhören.”

“Ready Ready”

dorchester_antenna_1

Klik op foto voor groot formaat

Dan ga je je toch afvragen wat voor mensen die vreemde uitzendingen maakten. Waren het Russische karpatenkoppen, met de stukken ui nog in hun stalinistische snorren? Stiff upperlip English gentlemen, met pijp, pantoffels en whisky voor de open haard? Vierkante Duitse matrones onder een kaal peertje in een uitgestorven kazerne? Ongeschoren gringo’s op een zoldertje boven een tapasbar? Alles lijkt langs te komen.

Maar wat je uiteindelijk het meest bijblijft is de sfeer van verlatenheid die uit alle opnames opdoemt. Omdat je nooit weet wie of waar de zender is en wie of waar de ontvanger, klinken de omroepers als roependen in de woestijn. Ver weg zijn ze ook, ergens verborgen achter een mist van witte ruis en wow en flutter. En ook ver weg in de tijd: boven alles klinkt The Conet Project als de desolate, kille soundtrack van de Koude Oorlog. Niet vrolijk, wel heel fascinerend.

“Konec”

Eeuwig Concerto

(Dit is eigenlijk ook Klein nieuws uit andere tijden. Het gaat over een puberjongen in de jaren tachtig, die luistert naar een band uit de jaren zestig, in een van de weinige platenzaken die nú nog bestaan.)

concerto2

Concerto in de jaren zeventig.

Het was een koude winterdag, december 1984. Ik was 15 jaar, spijbelde van school en nam de trein naar Amsterdam. Reisdoel Concerto. Mijn gespaarde geld had ik op zak, want ik ging platen kopen. De zon stond laag en scheen fel. Ik liep door de Utrechtsestraat die uitgestorven was, op een enkele tram na dan, en stapte verlegen de warme platenzaak binnen.

concerto1Ook toen bestond Concerto uit een verzameling pseudo-verdiepinkjes, die met trapjes aan elkaar waren verbonden. Een verdiepinkje jazz, een verdiepinkje pop A t/m M, weer een ander met N t/m Z, een kamer met soul en blues, hier wat bakken hardrock, daar de stapels reggae. Alle bakken waren van poepbruin hout en puilden uit van het vinyl. Het rook er op een lekkere manier muffig.

Stoere mannen in het zwart – soms met sjekkies – lieten zwijgend hun handen razendsnel door de stapels platen gaan, zo af en toe eentje handig omdraaiend om titels en jaartal te scannen. Een enkeling haalde een elpee uit de hoes en staarde gespannen in de groeven, op zoek naar krasjes of vuiltjes, of om na te gaan of een plaat niet grijs gedraaid was – iets dat ze feilloos konden zien aan de ‘waas’ die over het vinyl hing.

Her en der in de zaak stonden platenspelers, waar je zelf je toekomstige aankopen op kon leggen om te beluisteren met van die hele grote koptelefoons. Niet echt handig voor echte hififreaks, deze pick-ups, want de naalden waren zo oud en versleten dat het leek of er een betonschaar door de groeven ploegde. De plaat, toch al tweedehands, was dan al verneukt voordat je ‘m thuis had.

concerto3

Gijs Molenaar, de man die in 1955 Concerto oprichtte, vult de bakken bij. In 1982 deed hij de zaak over aan zijn zoon Wouter.

Bovendien duurde het een eeuwigheid voordat zo’n platenspeler vrij was. Te oordelen aan de volle asbakken zaten veel mannen – het waren nooit vrouwen – soms hele ochtenden of middagen platen te luisteren. (Een medewerker van Concerto vertelde dat hij ooit een man achter een pick-up had weggerukt, omdat die er toch echt te lang zat. Prompt begon de man te huilen. Hij had de hele middag naar hetzelfde nummer van James Last zitten luisteren, omdat hem dat zo deed denken aan zijn ex-vrouw…)

Zelf ging ik tussen de stoere mannen staan, en probeerde net zo achteloos door de elpees te bladeren als zij. Dat lukte voor geen meter, want ik raakte helemaal opgewonden van al die geweldige platen voor heel weinig geld. En ondertussen zat ik te azen op het moment dat een van de platenspelers vrijkwam, om snel toe te schieten en me te installeren met m’n beoogde buit (ik was geen hififreak).

vuDe eerste plaat die ik op de draaitafel legde was er een van The Velvet Underground. Niet die beroemde bananenplaat, maar een compilatie van de eerste twee VU-albums in een ietwat vergeelde hoes met monden en Coca Cola-flesjes van Andy Warhol erop. Uit een hele grote koptelefoon klonken de eerste klanken van Sister Ray. Monotoon elektronisch gebeuk, en dat bleek maar door te gaan en door te gaan. Wat een geluidsorgasme, ik wist niet wat ik hoorde!

Dat de plaat allang was grijsgedraaid, dat kon me niet schelen. Sterker nog: deze muziek hoorde gruizig te klinken. Bovendien drukte het de prijs nogal. Dit werd een aankoop. Tevreden tuurde ik in de grijze waas die onder de pick-upnaald draaide, staarde naar de poepbruine bakken en bezag eens de mannen in het zwart. Ik rook de peuken en de platen. Ik wilde hier wel voor eeuwig blijven zitten… totdat iemand van Concerto ook mij achter de draaitafel vandaan zou sleuren.

Andy Warhol filmde VU en iemand plakte daar het nummer Heroin onder.

Lou Reed schreef Femme Fatale voor Warhol-model Edie Sedgwick.

Andy Warhol projecteerde zijn film Exploding Plastic Inevitable op de band.