Happy birthday, Dummy

Op deze dag in 1994 bracht Portishead het album Dummy uit. So happy birthday!

Er zijn albums, die hangen als het ware in de lucht. Er zijn geen voortekenen en geen sporen aanwijsbaar. Het is een geheim – of in dit verband toepasselijker: een mysterie. Opeens is er een plak prachtige muziek, of een plastic bierviltje vol, zo je wil. Vijftig minuten in dit geval, het gaat om Dummy, de donkere debuutplaat van Portishead uit Bristol.

Achteraf zijn er een paar kleine aanwijzingen te vinden. Hele kleine. Zo speelde de gitarist/multi-instrumentalist Adrian Utley een blauwe maandag bij jazzgiganten Art Blakey & The Jazz Messengers. En de grote man achter Portishead, Geoff Barrow, was een paar jaar daarvoor tape-operator bij de opnames van Blue Lines van stadsgenoten Massive Attack. Maar dat is het wel zo’n beetje. Van de grootste revelatie op deze plaat, zangeres Beth Gibbons, had nog nooit iemand gehoord. De toen 22-jarige Barrow – een slungelachtige jongen met een paardenstaart – en de 30-jarige zangeres ontmoetten elkaar bij de sociale dienst waar ze een of andere back-to-work-cursus deden. Het was een onwaarschijnlijke klik, helemaal toen de 37-jarige jazzgitarist erbij kwam, maar het werkte. Portishead – vernoemd naar een voorhaven van Bristol – was geboren.

Geoff Barrow blinkt uit in het maken van gruizige beats, loom, soms ratelend, slepend, zeg maar een beetje James Brown’s Funky Drummer maar dan een paar versnellingen lager, en soms als een alarm of een draaiende machine of een stoorzender. Daaroverheen zet hij allerlei spookachtige geluiden, met synths, maar ook met een Fender Rhodes-piano. En allerlei vreemde scratches – het is draaitafelalchemie (iets wat later opgang zou maken onder de trend ‘turntablism’). Naar het schijnt liet hij tracks die hij maakte als proefpersing op vinyl zetten, om daarmee weer te gaan scratchen. Die onbekende slungel draaide zo onwereldse tracks in elkaar, maar vreemd genoeg lijkt alles precies op zijn plaats te vallen. Alsof ‘ie nooit iets anders heeft gedaan. Ze klinken als Eric B & Rakim meets Cocteau Twins meets The Orb meets Angelo Badalementi, ofzoiets ofzo. Er zitten hele bizarre samples en scratches in, zoals de bubblegum-pop van I’ll Never Fall In Love Again van crooner Johnny Ray, dat ook een paar versnellingen lager wordt gepitcht (16 BPM) alvorens de scratch-behandeling te krijgen. Over die bizarre tracks horen we Adrian Utley op gitaar, bas en Hammond-orgel. En smaakvolle violen – op arrangementen van Utley. Altijd smaakvol, altijd precies op zijn plek ook. Alleen op uitsmijter en single Glorybox gaat hij loos op gitaar – als een soort van kruising tussen artrocker Robert Fripp en David Gilmour van Pink Floyd.
Ja, en dan zangeres Beth Gibbons… Alleen al haar verschijning is mysterieus. Ze is wit, frêle en altijd met een sigaret in haar hand – als een soort van buitenaardse nachtclubzangeres in de beste Twin Peaks-traditie. Gibbons’ stem en uitstraling worden vergeleken met zowel Billie Holiday, Liz Frasier (van Cocteau Twins) als Sandy Denny. En dat klopt allemaal wel, denk ik. Ze zingt soulvol, zuiver, maar ook voorzichtig en etherisch. Soms flirterig, pesterig, soms uiterst donker en depressief. Ze bestrijkt veel registers.

Zo zetten de drie op perfecte wijze een eigen universum neer, vol gestoorde breakbeats, jazzy klanken, gloomy sfeertjes. De plaat klinkt zo ‘blue’ als haar hoes. Of zo zwart als de kosmos? Portishead zit ook vol uitdovende sterren en… vol vacuüm… Het is vaak leegte, waar het op Dummy om draait… Leegte tussen de beats, kaalheid in de tracks, spaarzaamheid in klanken, de valse lucht in Beth Gibbons’ stem… Misschien is het kitscherig of vergezocht, maar je zou Dummy kunnen vergelijken met een zwart gat. De plaat zuigt je op tot er niks meer van je over is.

De band komt dus uit Bristol, net als Massive Attack en Tricky. Voor popjournalisten was dit de reden om een nieuw genre uit te vinden: triphop. Een beetje gezocht, want heel veel overeenkomsten hebben de Bristol-bands niet. Ze haalden elkaars tracks weliswaar door de mixer, en Portishead’s hit Glorybox heeft hetzelfde ritme als het nog veel donkerder Hell Is ‘Round The Corner van Tricky – namelijk een sample van de baspartij uit Ike’s Rap II van Isaac Hayes (alleen is het exemplaar van Tricky veel meer grijsgedraaid en gruizig). Maar als puntje bij paaltje komt heeft elke act zijn geheel eigen geluid. Dat heeft misschien wel de toon gezet voor veel van wat erna komt, zonder Dummy zouden bijvoorbeeld Lamb, Morcheeba of Hooverphonic nooit hebben bestaan. En Portishead zelf? Ze maken een slappe opvolger in 1997 en een liveplaat met een symfonieorkest in 1998 (beetje mwoah). Daarna wordt het stil. Ik heb Beth Gibbons nog eens gezien op het Dour Festival met een eigen band, maar dat maakt ook geen indruk. Dan – opnieuw uit het niets! – is er opeens in 2008 het album Third. Bam! Wat een plaat! Die doet in niks denken aan Dummy, het geluid is veel harder, gitaar-georiënteerd en krautrock-achtig. Een sensatie, maar een compleet ander verhaal – dus wellicht voor een ander verjaardagsblog ooit.

Meer jarige albums?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *