Happy birthday, The Sky’s Gone Out

Op deze dag in 1982 bracht Bauhaus het album The Sky’s Gone Out uit. So happy birthday!

Ach, arm Bauhaus. “All We Ever Wanted Was Everything / All We Ever Got Was Cold”, zingen ze ergens op deze plaat. Terecht. Het is een van de meest onderschatte albums van een van de meest onderschatte bands ooit. Als stereotype gothic-band hadden ze hun imago van zwarte vleermuizen niet mee, hun naam – ze vernoemden zich naar de Duitse designers uit het interbellum – was te pretentieus en hun muziek te kitscherig, zoals dat geflirt met Dracula-acteur Bela Lugosi bijvoorbeeld. En toch… en toch… was hun mix van harde, scherpe postpunk en dubreggae, met de snijdende gitaren van Daniel Ash, pompende bassen en de galmende grafstem van Peter Murphy, heel verfrissend – zo is te horen op hun albums In The Flat Field (1980) en Mask (1981) en hits als Kick In The Eye, The Passion Of Lovers en vooral Bela Lugosi’s Dead. En op hun derde plaat, The Sky’s Gone Out, gaan ze nog een paar flinke stappen verder. ‘The experimental one’, wordt het album genoemd. Da’s niet voor niets.

Kant A blijft nog het dichtst bij ‘vintage Bauhaus’. De plaat trapt af met een cover, een turbo-versie van het nummer Third Uncle van Brian Eno. Bauhaus klinkt hier als een stel razende honden dat een onschuldige prooi (in dit geval Eno’s nummer van de plaat Taking Tiger Mountain By Strategy uit 1974) opjaagt. Wat een contrast met de strijkers en akoestische gitaar die de tweede track, Silent Hedges, inluiden, een nummer met bijna literaire teksten van Peter Murphy (“What happens when the intoxication of succes has evaporated?” – hoe krijg je het uit je bek in een rocksong?). In The Night is letterlijk een Bauhaus-oudje, het bleef op de plank liggen tijdens de In The Flat Field-sessies en is nu opnieuw opgenomen. Best lekker, maar niet het hoogtepunt van de plaat. Swing The Heartache is een ingewikkelde, bijna industrial groove die doet denken aan het beste werk van David Bowie en Iggy Pop samen (Nightclubbing of Mass Production op het album The Idiot uit 1977). De fascinerende single Spirit sluit de eerste plaatkant af. Het is een mooi nummer, een soort ‘gothic meets music hall’ dat begint met klavierklanken en eindigt in een psychedelische draaikolkmix terwijl Peter Murphy maar blijft galmen: “We love our audience… We love our audience…”.

Kant B begint met The Three Shadows, Part I, II and III. Het eerste deel is een mysterieus ambient-stuk, een beetje Erik Satie-achtig, voorzichtig opbouwend vanuit naïeve gitaren, via spookachtige synths naar zwarte, zware koorklanken. Deel twee pakt uit als een ingetogen ballad, met Murphy als vampier-achtige crooner (alhoewel dat wat minder cliché uitpakt dan het zo lijkt). Het zijn vooral de instrumentatie en de productie die dit tweede stuk zo bijzonder maken, met een soort hobbelig baswalsje op de achtergrond. Deel drie is letterlijk en figuurlijk psychotisch, met piepende violen (Venus In Furs van de Velvet Underground op speed), een zwalkende piano en Murphy die zingt over bloed, pus en pis en ‘the symbol of fish’. Dan volgt All We Ever Wanted Was Everything, een tedere gitaarballad over een jeugd in het saaie Northampton in de East Midlands van Engeland. Met kippenvelmomenten, als halverwege het nummer een orgel losbarst en als de wanhoop doorklinkt wanneer Peter Murphy naar het einde toe zingt: “Oh, to be the cream”. De laatste track is het volkomen weirde ding Exquisite Corpse. Het trapt af met een manisch a-capella “life is but a dream” over een achteruitgedraaide track – het ritme van Spirit – en dan galmt de zanger als een soort Gandalf met toverstaf “I make the air fall apart, around me” en dan beginnen er psychedelische riedeltjes die uitmonden in een Pink Floyd-achtige track met daaroverheen een hoestbui en een verhaaltje van engineer Derek Tompkins en uiteindelijk begint Peter Murphy akelig te schreeuwen “THE SKY’S GONE OUT!”. Dan valt het even stil, voordat er een leip reggaedeuntje start met daaroverheen het gesnurk van Tompkins en dan is het klaar. De plaat zit er op.

Dan volgen er op de cd-uitgave nog een paar extra tracks, waaronder een van Bauhaus’ grootste hits: een ongeveer letterlijke kopie van Ziggy Stardust van David Bowie. Maar die is lang niet zo spannend als de Eno-cover, laat staan het eigen werk op The Sky’s Gone Out. Beter kan je de limited edition proberen te scoren met als extraatje het live album Press The Eject And Give Me The Tape – dan krijg je er een weergaloze uitvoering van de Bauhaus-klassieker Bela Lugosi’s Dead bij.

Een jaar later is het gedaan met de band. Ze scoren eerst een nog grotere hit (She’s In Parties) en maken de plaat Burning From The Inside met zanger Peter Murphy op halve kracht, want geveld door een longontsteking. Op 5 juli 1983 geven ze hun laatste optreden in het Hammersmith Odeon in Londen (net als precies tien jaar eerder de laatste show van David Bowie’s creatuur Ziggy Stardust). Bauhaus stapt het podium af na de woorden ‘rest in peace’… Hoe gothic… Hoe cliché… Hoe anders dan de sprankelende originaliteit van The Sky’s Gone Out.

Meer jarige platen?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *