Happy birthday, Agætis Byrjun

Op deze dag in 1999 bracht Sigur Rós het album Ágætis Byrjun uit. Til hamingju með afmælið!

We are simply gonna change music forever, and the way people think about music. And don’t think we can’t do it, we will.

Dat is nogal een boude uitspraak bij je tweede album, als je van je debuutplaat nauwelijks meer dan driehonderd exemplaren hebt verkocht… Toch deinsde de IJslandse band Sigur Rós er niet voor terug in 1999. Terecht niet. Hun profetie kwam uit. Met Ágætis Byrjun (Goede Start in het Nederlands) wisten ze met hun slepende non-conformistische en onconventionele klanken een wereldpubliek te bereiken – met een beetje hulp van Brad Pitt, Gwyneth Paltrow, Thom Yorke en Chris Martin, series als CSI en 24, Nissan-reclames, en natuurlijk Tom Cruise en Cameron Crow die maar liefst drie Sigur-songs gebruikten in de film Vanilla Sky.

Maar het is vooral op hun eigen merites dat de band aan het begin van de 21e eeuw – als de plaat eenmaal overal ter wereld is uitgebracht – zo’n doorbraak maakte. Dat is bijzonder, want het geluid van Sigur Rós was – en is – beslist niet doorsnee. En toch… Het is zo’n cliché, maar je komt er niet onderuit. Ágætis Byrjun is de soundtrack van het onherbergzame en tegelijk prachtige IJsland. Dan verval je al snel in het soort reisgidsentaal dat je heel vaak in Sigur Rós-recensies leest. De plaat doet denken aan dampende, borrelende geisers, mistflarden boven koude fjorden, het eb en vloed van de ijszee, lava uit vulkanen, het noorderlicht erboven, zwarte steengronden en nergens een boom te bekennen. De muziek is sprookjesachtig en eh, eh, eh… boreaal (in de niet-besmette betekenis van anno 2000).

Na de wat morsige debuutplaat klinkt Ágætis Byrjun als een klok. Dat is vooral dankzij het nieuwe bandlid Kjartan Sveinsson, die kon componeren en orkestarrangementen schrijven, en producer Ken Thomas (bekend van werk voor zowel Queen als voor Einstürzende Neubauten en Björk). Elektronica, gitaren, blazers, violen, fluitjes, alles komt langs. De plaat grijpt je – na meer dan twintig jaar nog steeds! – bij de strot. De magie begint al na een paar minuten, als na een ambient-achtig intro met iets wat lijkt op het sonargeluid van een onderzeeër het nummer Svefn-g-Englar (Slapende engelen) pas echt losbarst met een soort donkere wolken van fuzzgitaar met strijkstok, en dan de ijle stem van zanger Jonsí die iets in zijn eigen taaltje zingt. Je weet niet wat ‘ie zingt: ‘Itjuu-u’ of misschien wel ‘It’s you’?
Minstens zo aangrijpend is het nummer dat erna komt: Staralfúr (Starende Elf), zwaar georkestreerd met een twinkelende piano maar tegelijk met rare dissonante geluiden op de achtergrond. En wat te denken van Hjartaõ Hamast bamm bamm bamm (Hart Bonst boem boem boem)? Dat begint met een groovy orgeltje, maar al snel barsten weer die gitaardonderwolken los om te eindigen in uiteindelijk een rare ruis. Niets is hard en lawaaiig zoals bij de zoveelste metalband, of doomy zoals veel postrock, maar alles is slepend. Slepend. Sleeeeepend traaaag. Sigur Rós neemt er de tijd voor. De tien nummers op de plaat blijven zelden beperkt tot vijf a zes minuten. Ágætis Byrjun duurt dan ook bijna anderhalf uur. Maar je hoeft je geen moment te vervelen!

Dat hoor je ook op het tien minuten durende Viõrar Vel Til Loftárása (Goed Weer Voor Een Luchtaanval), dat heel langzaam opbouwt met musical-achtige vioolpartijen – een soort van verziekte Sound Of Music – maar op driekwart losbarst in slepende gitaar, echopartijen en die Jonsí-falsetto. Weer zo’n magisch moment!
Ander hoogtepunt op de plaat is Olsen Olsen. De teksten op Ágætis Byrjun zouden met een intensieve Google-translate sessie nog wel uit het IJslands te herleiden zijn, als je daar waarde aan zou hechten. Maar Olsen Olsen is andere koek. Jonsí zingt hier in een zelfbedacht taaltje: Vonlenska – zogenaamd uit het eiland Von, Hoop in het Nederlands. Het is de voorbode van hun volgende album, met de eigenaardige titel () die helemaal in het Vonlenska is gezongen. Dat soort taalexperimenten is altijd fascinerend (denk ook aan I Zimbra van de Talking Heads of Warszawa van David Bowie). Olsen Olsen bewijst – net als al dat onbegrijpelijke IJslands op de rest van de plaat – dat muziek iets universeels kan zijn, niet gebonden aan taal of aan grenzen. Niet voor niets bereikte Sigur Rós wereldfaam in 2000, terwijl niemand een jota van de teksten begreep. Nog maar eens een cliché: het gaat niet om de woorden, het gaat om het gevoel.

Heeft Ágætis Byrjun dan de muziek voor altijd veranderd? … Qua geluid misschien wel. De wereld stond opeens open voor hele nieuwe, exotische klanken. Dat was verfrissend. Een Goede Start van de 21e eeuw – die we anno 2020 misschien nog wel beter kunnen gebruiken dan toen.

Meer jarige platen?

Geef een reactie