Opblaasbare zwembaden. Genderidentiteit. Menstruerende vampiers. De ins en outs van kapitalisme. Veel hebben we al voorbij zien komen in de carrière van de Noorse componiste, zangeres en schrijfster Jenny Hval. Op haar zevende album stort ze zich op de liefde. Met The Practice of Love maakt ze haar meest toegankelijke plaat tot nu toe.
Strechmark-cream in Airbnb Met liefde bedoelen we niet de traditionele ‘boy-meets-girl’-verhaaltjes of het obligate ‘ik hou van jou, ik blijf je trouw’. Net als bij haar eerdere thema’s zoekt Hval dieper en breder. Ze onderzoekt alle invalshoeken. Dus gaat het over het accepteren van het anders-zijn. Over intieme rituelen. Twee vriendinnen praten op Skype over de bewuste keuze om geen kinderen te nemen. Hval droomt over neuken, terwijl ze nog maagd is. Het gaat over de seksboekjes onder de grond begraven. Over Georgia O’Keeffe en Joni Mitchell. Over gedroogde vijgen als symbool voor verdorde vagina’s. Over de dieren in het bos. Over duimzuigen. Zwanger zijn en de stretchmark-cream die je vindt in een Airbnb. Pfff, ga er maar aan staan.
Personages De verhalen worden verteld door allerlei verschillende personages – letterlijk en figuurlijk. Jenny Hval zingt op drie van de acht nummers van The Practice Of Love. Op de andere hoor je multi-instrumentaliste Vivian Wang, klassiek gitariste Laura Jean Englert en de electro-akoestische artieste Felicia Atkinson.
Trashy trance en techno Muzikaal liet Jenny Hval zich inspireren door de trashy mainstream-trance en –techno uit de jaren negentig. Of de herinnering die ze daaraan heeft, en die is niet perse vrolijk. Hval denkt aan de Noorse tieners in de jaren negentig die triest en lusteloos in hun auto’s rondreden terwijl ze trance en techno draaiden. De luchtigheid en transcedente sound van die muziek kon ze goed gebruiken voor The Practice of Love. Over de stompende ‘four-on-the-floor’ dansbeats legt ze landschappen van jazzy accenten en witte ruis en zingt zij of haar gastvocalisten dromerige strofen. Een mooi contrast. Of je hoort dialogen die langzaam overspoelt raken door trance. Fascinerend.
Joni Mitchell en metafysica Hoogtepunten zijn het lichte, luchtige Ashes To Ashes en Accident – over zwangerschappen en waarin Hval haar échte kracht inziet: magie door kunst (“born to write, born to burn”, zingt ze). Maar Six Red Cannas slaat alles, een harde techno-achtig nummer waarin ze verslag doet van haar pelgrimtocht naar het huis van Georgia O’Keeffe (die kwamen we al eerder tegen dit jaar) in de woestijn van New Mexico. Ze komt uit bij het werk van Joni Mitchell en muziek als metafysica (“as if a song can communicate with the spirits or awaken the dead, I mean: isn’t that what it’s for?”). En dat kan allemaal zo op de dansvloer!
Jenny Hval eindigt haar korte plaat (slechts 33 minuten) met het verstilde, fluisterende en zweverige Ordinary. “Can I only write these things, not all the other things?“, vraagt ze zich af. En daarna begint de muziek te vervagen…
Je kunt je afvragen of Anima een film is of een videoclip. Yorke en Anderson noemen het een ‘one-reeler’. Daarmee verwijzen ze naar de korte slapstickfilms uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Stomme films die genoeg hadden aan maar één spoel en dus tien tot vijftien minuten duurden. En het is niet alleen in lengte dat Anima refereert aan dat genre. Eigenlijk heeft Anderson een hedendaagse stomme film gemaakt bij drie van de negen tracks van het album Anima: Not The News, Traffic en Dawn Chorus. En… Thom Yorke worstelt zich daarin als een soort van Buster Keaton langs allerlei hindernissen om de danseres te volgen waar hij verliefd op wordt (Dajana Roncione, ook in real life zijn geliefde). De decors met steile wanden en lange schaduwen doen ook denken aan de twintiger jaren: ze zijn een verwijzing naar de expressionistische film Metropolis van Fritz Lang. Anima begint als Yorke met de slapende reizigers in de metro een zombie-achtige dans doet van telkens inslapen en wakker worden. Tijdens Traffic is er een adembenemende choreografie op een bewegend hellend vlak, waarin de zanger zich telkens een weg moet banen door mensenmenigten. Uiteindelijk weet Yorke bij Dawn Chorus zijn liefde toch te bereiken en breekt de dageraad daadwerkelijk aan – inclusief elektronisch kwinkelerende vogeltjes.
Anima is inmiddels het derde soloalbum van Thom Yorke, naast zijn werk met Radiohead. Yorke is dit jaar vijftig geworden, dubbel zo oud als de creep die destijds debuteerde met de zoveelste grungeband en op MTV schreeuwde dat hij graag ‘so fucking special’ wilde zijn. Lange tijd gingen de carrières van Thom Yorke en regisseur Paul Thomas Anderson gelijk op. In de tijd van Creep maakte Anderson zijn debuut met de film Hard Eight – die echt in de schaduw stond bij films van generatiegenoten als Quentin Tarantino en de Coen Brothers. Radiohead en Anderson leken gedoemd tot voetnoot in de geschiedenis van de jaren negentig. Maar toen kwam het album OK Computer in 1997, tegelijk met de film Boogie Nights en band en regisseur werden ‘household names’. Helemaal toen Anderson in 1999 de klassieker Magnolia uitbracht en Radiohead in 2000 de elektronische plaat Kid A. En in 2007 volgden There Will Be Blood (film) en In Rainbows (plaat). Sinds Radiohead-gitarist Jonny Greenwood de soundtrack bij There Will Be Blood maakte, werken de Britse band en de Amerikaanse regisseur nauw samen. Een uitruil, zeg maar, de ene levert soundtracks, de andere levert clips.
Dat dansen van Thom Yorke in de Netflix-one-reeler, dat is wel een dingetje op het hele album Anima. Want Yorkes iele, treurige, spookachtige zang wordt begeleidt door hooks en grooves, bliepjes en beats – een beetje a la IDM-pioniers als Aphex Twin en Four Tet. In de lijn van Idiotheque op Kid A, twintig jaar geleden. We horen dub en electrosoul, maar ook epische stukken zoals de zeven minuten durende soundscape The Axe. De ene recensent noemt Anima Yorkes somberste plaat ooit. De ander noemt hem lichtvoetig, dansbaar, sexy zelfs (wie had dat ooit gedacht van die nerdy chagrijn?). En misschien is Anima wel allebei tegelijk. Thom Yorke vat het treffend samen in de track I Am A Very Rude Person. Daar waarschuwt hij: “I am breaking up the turntables, I am going to watch your party die”. Het blijft een creep, Thom Yorke zoveel jaar later, maar wel een geniale creep.
Seks, racisme, religie, familietragedies, Brittany Howard zingt het allemaal naar buiten op haar zeer persoonlijke album Jaime. Het is een schurende, stompende, zompige, zwoele, gloedvolle, pijnlijke, sexy plaat geworden, en de Alabama Shakes-zangeres heeft een stem als een klok!
Alabama Shakes is een democratische band, dus de ideeën eindigden nogal eens in het midden. Op Jaime kan Howard volledig haar eigen gang gaan en gaat ze mijlen verder dan de traditionele rootsrock ’n soul van de Shakes. Allerlei stijlen komen langs. Southern soul maar ook beats en samples van dominees. History Repeats is een soort van psychedelische funk – Funkadelic meets Smokey Robinson, zoiets. He Loves Me doet aan Prince denken. Stay High is bijna een klassiek soulliedje dat zo lijkt weggelopen bij Curtis Mayfield of Sam Cooke. Lekker! Tomorrow is een slow jam zoals Erykah Badu ze ook kan maken. (“What you’re gonna do?”, zingt ze met haar koortje. “We’re gonna say What The Fuck!”.) Short And Sweet is uitgekleed tot de begeleiding van alleen een akoestische gitaar en Brittany Howard kan hier vocaal helemaal uitpakken. De afsluiter Run To Me is synthi-gospel met jaren tachtig big drums, heel fascinered. En het meest psychedelische nummer is 13th Century Metal, dat wordt gedomineerd door roffelende drums, een repeterend orgeltje en een gospelkoor dat maar blijft doorzingen door het lawaai heen: “Give it to love! Give it to love!”
Het album is vernoemd naar haar oudere zusje, dat overleed na oogkanker toen Brittany zelf acht jaar was. Zuslief leerde Brittany creativiteit, haar verbeelding gebruiken en hoe ze liedjes moest schrijven. En hoewel geen enkel liedje op de plaat letterlijk over haar zus gaat, kreeg ze toch de titel als eerbetoon. Samen zijn ze opgegroeid in Athens in Alabama. Brittany had een witte moeder en een zwarte vader. Dat dat niet door iedereen geaccepteerd werd hoor je in Goat Head. Daarin vraagt ze zich als kind af wie toch de autobanden van hun auto lek stak en de kop van een dode geit op de achterbank legde. In He Loves Me is ze overtuigd van de liefde van God, ondanks dat ze weleens een blowtje rookt of een drankje doet. Dat voelde ze vroeger wel anders. Ze wist al snel dat ze lesbisch is, en de kerk riep angst en schaamte op. Ze vluchtte in de muziek, blijkt uit het nummer Georgia. Dat liedje is geboren uit de gedachte aan zangeres en producer Georgia Anne Muldrow en zo kwam Howard op de zin “I just want Georgia to notice me”. Dat leidde uiteindelijk tot een liefdesverhaal tussen twee meisjes. Het sleutelnummer van de plaat is misschien wel 13th Century Metal, zo zegt ze in interviews. “Dat nummer is mijn mantra waaraan ik mij vasthou als ik me hulpeloos voel. Zo blijf ik me sterk voelen.” De tekst is dan ook een soort gelofte om altijd van mensen, ook haar vijanden, te blijven houden. “We’re all brothers and sisters. Give it to love! Give it to love!“
Als je het album zou willen samenvatten in één referentie, dan zou Nina Simone het dichtst in de buurt komen. Zelfde stem. Zelfde creativiteit. Zelfde levenservaring. Prachtplaat, dit.
Ik lees een column van journalist en programmamaker Sinan Can. Hij beschrijft hoe hij een lift krijgt van Aafke Romeijn, in haar oude paarse Toyota Starlet, en ergens schrijft hij: “Ze is een beetje een recalcitrant type. Of niet eens een beetje. Volgens mij is ze echt heel tegendraads, en dat maakt het leuk.”
Middenpartij Dat lees je ook terug in haar columns, artikelen en tweets, en ook in haar in 2018 verschenen debuutroman Concept M. Dat is een dystopisch sciencefictionboek en een politieke sleutelroman tegelijk, met autobiografische trekjes of in ieder geval typische Aafke Romeijn-dingetjes. Nederland vanuit de auto bekeken, bijvoorbeeld. (In de roman is het overigens geen Starlett maar een Corolla.) Het gaat over een vrouw die lijdt aan de ziekte van kleurloosheid en daarvoor dure medicijnen slikt. Dat wordt vergoed, maar de middenpartij die aan de macht is wil daarvan af. Dan sluit de hoofdpersoon, die juist heel politiek correct is opgevoed, zich aan bij een rechtse actiegroep. Voor wat er daarna gebeurt geef ik geen spoilers weg. Alleen: het boek eindigt op het strand van Ameland.
Universum In 2019 maakte Romeijn een soort van soundtrack bij het boek. Of eigenlijk: het album M sluit in titels en teksten aan op het boek, maar kan ook los worden geconsumeerd, zoals ze zelf zegt. Ze was gewoon nog niet klaar in het universum dat ze had geschapen.
Voorzichtig weird Er wordt op de plaat dus ook weer veel auto gereden, in de track 10.20, langs de Betuwelijn (in het nummer A15) en over de Afsluitdijk (Corolla). Muzikaal gaat het verder dan de synthipop die we van Aafke Romeijn kennen. We horen synthesizers en beats, maar ook vervormde stukjes Bach (in Fuga), van die disco-vioollijntjes maar dan speels, een voortslepende scheurgitaar (Elf) en her en der electrofunk. Heel veelzijdig en allemaal voorzichtig weird. Recalcitrant.
Song van het jaar Aafke Romeijn staat bekend om haar tegendraadse keuze van covers. Eerder verraste ze al met haar uitvoering van Huilend Naar De Clubvan De Jeugd Van Tegenwoordig. Voor M komt ze op de proppen met Een Heel Klein Beetje Oorlog, een Vlaamse parel van de band Noordkaap. Romeijn brengt het in een hele intense, uitgeklede versie. Wat mij betreft de song van het jaar.
Spinvis De prachtige teksten op M zijn tegelijk fris en weemoedig en een associatie met Spinvis ligt dan voor de hand. Aafke Romeijn probeert hem al jarenlang te strikken voor een samenwerking en voor M is dat gelukt, zo vertelde Aafke Romeijn op radio 3voor12: “Het nummer Ameland was eigenlijk al af, maar ik kon gewoon horen hoe Spinvis hier op zou zingen. Dus toen heb ik het opgestuurd en toen is hij langsgekomen en heeft het ingezongen. We hadden meteen een klik, want muzikaal gezien zijn we beste vrienden.” Andere muzikale gasten zoekt ze dichter bij huis. Op de plaat hoor je haar vader op klarinet, moeder op basklarinet, zusje op trompet en haar man op gitaar. Fijn, maar niet altijd even praktisch. Als ze aan het toeren is, moet ze telkens oppas zoeken voor haar dochtertje.
Grotere schaal Samen of los, het lukt boek en plaat dus sowieso om te boeien. En is daarmee de maat vol? Nee. In september 2020 komt het volgende boek uit, dat 7B gaat heten. Het schijnt dat daarin zich alles op grotere schaal gaat afspelen – meer hoofdpersonen, heuse grondstoffenoorlogen en politieke en ethische keuzes voor Europa gaan domineren. Klinkt spannend! Hopelijk volgt daar weer net zo’n veelzijdige ‘soundtrack’ op.
Bezoeker van een tentoonstelling en de fotograaf, in een galerie in New York ergens in de jaren twintig van de vorige eeuw. – Bezoeker: “Is dit een foto van water?” – Fotograaf: “Maakt het verschil dan, wat er op de foto staat?” – Bezoeker: “Maar ís het een foto van water?” – Fotograaf: “Ik zeg je, het maakt niet uit.” – Bezoeker: “Of is het een foto van de lucht?” – Fotograaf: “Het is inderdaad een foto van de lucht, maar ik zie echt niet in waarom dat nou belangrijk is.”
De fotograaf was Alfred Stieglitz (1864 – 1946), naast fotograaf ook galeriehouder in New York en echtgenoot van schilder Georgia O’Keeffe. Stieglitz was de eerste die zijn camera in de lucht stak. Letterlijk. Vanaf 1922 richtte hij de lens omhoog en fotografeerde de wolken. Tot 1934 maakte hij honderden foto’s van de lucht en bracht die bij elkaar in series. Die gaf hij eerst muzikale titels mee (Music: A Sequence Of Ten Cloud Photographs of Songs In The Sky), later exposeerde hij de wolkenfoto’s onder de titel Equivalents.
Stieglitz was een toonaangevend galeriehouder die Toulouse-Lautrec, Cézanne en Picasso liet zien en persoonlijk bevriend was met Marcel Duchamp. En hij was al decennialang een meesterfotograaf die liet zien dat fotografie naast schilderen of beeldhouwen ook een van de scheppende kunsten is. Dat je met fotografie dus ook abstracte kunst kan maken – dat niet laat zien wat iets is, maar alleen emoties uit kan drukken. Op enkele uitzonderingen na – wanneer je een boom ziet of een bergkam – laat Stieglitz in Equivalents alle herkenbare referenties achterwege. Je ziet alleen wolken of mist. De fotograaf draait zijn afbeeldingen vaak ook een kwartslag of hij hangt ze ondersteboven. Veel foto’s zijn heel donker afgedrukt, zodat de lucht zwart of bijna zwart is. Zo is er optimaal contrast met de veel lichtere wolkenpartijen.
Deze manier van luchten fotograferen werd technisch pas in de twintiger jaren mogelijk, toen Stieglitz al zo’n veertig jaar bezig was. Het was ook het moment dat hij meer wilde dan alleen maar afgerekend worden op de onderwerpen op zijn foto’s. Stieglitz wilde eigenlijk iets abstracts als muziek op de gevoelige plaat vastleggen. Met zijn vrouw Georgia O’Keeffe fantaseerde hij dat zijn favoriete componist – Ernest Bloch – zijn foto’s zou zien en uitroepen: “Dit is muziek, man! Hoe doe je dat? Hier zie ik violen, daar fluiten en hobo’s en trompetten.” … En dat was precies wat gebeurde bij Stieglitz’ eerste wolkenexpositie in 1923.
De Equivalents-foto’s zijn tijdloos. Er is geen enkele verwijzing naar een moment of een plek. Ze kunnen overal gemaakt zijn en tussen 1922 of 2019. Hooguit zijn er hints naar een seizoen waarin een foto is geschoten. Er is ook eigenlijk niet veel meer te zien dan zuurstof- en waterstofmoleculen gegroepeerd. Of beter gezegd: er is zoveel meer te zien dan dat, dan alleen het zichtbare bestaan. Letterlijk en figuurlijk tonen ze dat er iets ‘in de lucht hangt’, dat er ‘meer is tussen hemel en aarde’ of andere clichés. Serieus, de foto’s laten zien dat emoties in vormen wonen – los van tijd en plaats. Net als muziek.
En het zijn deze gedachten die, bijna honderd jaar na Stieglitz’ eerste wolkenfoto’s, de Canadese ambientproducer en –muzikant Scott Morgan inspireerde tot een verstild meesterwerk van elektronische zachte ruis en natuurgeluiden. Onder zijn alias Loscil bracht hij in 2019 het album Equivalents uit. Net als de foto’s soms somber en donker, soms licht en hoopgevend. Net als de wolken continu in trage beweging, fascinerend en wonderschoon.
Toetsenist Alessandro Cortini is los-vast lid van Nine Inch Nails, maar inmiddels maakt hij meer naam met zijn indrukwekkende soloprojecten. In 2019 bracht hij het album VOLUME MASSIMO (ja, alle titels moeten in caps lock…) uit, dat slechts is opgetrokken uit ruis, de Buchla-synthesizer en gitaareffecten zonder al teveel digitaal gesleutel.
Het is niet de eerste keer dat Alessandro Cortini mijn jaarlijkse eindlijst haalt. Dat deed hij eerder in 2017 met het fijnzinnige album Avanti vol romantische jeugdherinneringen. Anno 2019 klinkt Cortini minder comfortabel en meer spookachtig. De veiligheid van de jeugd lijkt te hebben plaatsgemaakt voor angstiger of onrustiger dromen. Daarmee komt hij soms in de buurt van John Carpenter, de roemruchte componist en regisseur van horrorfilms uit de jaren tachtig. Dat is misschien nog het best te horen op BATTICUORE. Maar ook synthesizerpioniers als Giorgio Moroder en Jean-Michel Jarre zijn niet weg te denken uit het universum dat Cortini neerzet op VOLUME MASSIMO.
Op Avanti mixte Cortini de synth- en ruisklanken met audiofragmenten van gesprekjes en dat herhaalt hij hier op twee tracks: AMORE AMARO en AMARO AMORE (je ziet: die horen bij elkaar). Op veel andere tracks experimenteert de van huis uit gitarist met effectapparatuur over een elektronische basis. Soms klinkt dat hard als een zaag, zoals in SABBIA. En op LET GO heeft die gitaar een psychedelische twang die ineens uit de oceaan van synths komt bovendrijven. MOMENTI is juist opgetrokken uit pulsen van ruis, waaruit langzaam een vage melodie ontstaat. Breekbaar. Mistig. Maar vlak voor het einde van het nummer valt de langzaam opgebouwde spanning weg en begint Cortini op een kapotte speelgoedgitaar (?) te pielen. Ontregelend. Ook LA STORIA is desoriënterend. Synthesizerstoten en stukken ruis lijken alle kanten op te gaan en allerlei ritmes af te wisselen. Het enige dat zeker is, is dat het eindigt in een soort modder of oersoep van white noise. De plaat sluit af met de meest rusteloze droom van allemaal, dat toepasselijk DORMI heet. Dit komt zelfs een beetje in de buurt van de verwarde en verwarrende klanken die The Caretaker maakt om het voortgaande proces van dementie in muziek vast te leggen. Verontrustend. En zo kent VOLUME MASSIMO een behoorlijk eng einde. Je zou gewoon weer terug willen vluchten naar datt zorgeloze bestaan van je vroege jeugd. Tijd om snel weer Avanti op te zetten…
Steve Reich. Futuristen als Umberto Boccioni en Giacomo Balla, begin twintigste eeuw. Everything But The Girl. Disco. Nu descendant un escalier 2 van Marcel Duchamp. Happy hardcore. Bromstvan Dan Deacon. Heavy metal. Who’s Afraid Of The Art Of Noise?. Fabriekshallen vol lopende banden. Brassband. Kale techno. Loops van versnelde filmpjes van marcherende soldaten. Philip Glass. Duran Duran. Frank Zappa. Postrock. Modern Times van Charlie Chaplin. Merriweather Post Pavillion van Animal Collective. Aha. Yello. Ray Of Light van Madonna. Het BBC Schots Symfonie Orkest. Björk. Alarmbellen. Louis Andriessen. Funk syncopation, zoals bij The Meters. Liftmuziek in Edinburgh. Keramieken. Road To Nowhere van The Talking Heads. Het zijn allemaal associaties die voorbij komen bij het luisteren naar FIBS.
Laag op laag op laag
FIBS (leugentjes om bestwil) is de tweede plaat van de Schotse componiste/producer/singer-songwriter/geluidskunstenaar Anna Meredith. En haar band, Meredith neemt en treedt op met een cello, tuba, gitaar, drums en zelf staat ze achter de synthesizers en ze zingt soms. Oh ja, en af en toe blaast ze op de klarinet. De muziek van Anna Meredith cs is vooral vol. Boordevol noten en geluiden, lijntjes en melodietjes en ritmes die tegen elkaar in lijken te gaan. Ze stapelen laag op laag op laag op laag. Dan krijg je bijzondere werkjes die vaak het midden houden tussen dancetrack, minimal music, klassiek, heavy metal, synthipop en marsmuziek. Het stuitert alle kanten op.
Voor de vuist weg
Anna Meredith is geboren in 1978 in Londen, maar verhuisde naar Schotland toen ze twee jaar oud was. Ze studeerde aan de Royal College of Music in York. Een van haar leraren was Louis Andriessen. Ze maakte muziek voor Last Night Of The Proms, de miljoenenshow van de BBC, en verschillende filmsoundtracks waaronder die voor Eight Grade. In 2016 maakte ze haar eerste ‘popplaat’: Varmints. Op Varmints en FIBS werkt ze net zoals bij haar ‘klassieke’ stukken. Ze schrijft alles uit voor zichzelf en haar muzikanten. Dat is waarschijnlijk ook wel nodig voor deze ingewikkelde songs, die uiteindelijk voor de vuist weg klinken. En dan heeft ze ook nog eens een loepzuivere zangstem, zo horen we in enkele tracks op FIBS.
Drukke leuke kermis
Gezien haar carrière en opleiding en de associaties hierboven zou je kunnen denken dat Meredith zware, intellectualistische werken maakt, maar niks is minder waar. FIBS is toegankelijk, lichtvoetig, spontaan en speels, om te lachen soms – wat dat betreft spreekt de videoclip Paramount boekdelen waarin een speelgoedtreintje door een huis vol synthesizers, drums, cello’s en tuba’s rijdt. Meredith heeft er bewust voor gekozen om op dit album positief en optimistisch te klinken, juist in deze donkere brexit-tijden. En dat is goed gelukt. Van FIBS wordt je blij. Juist omdat de plaat zo vol is. FIBS klinkt als een hele drukke, hele leuke kermis.
Eng. Huiveringwekkend eng. Doodeng. Naargeestige nachtmerries, maar allengs steeds meer ‘comforting’ en eindigend in pure schoonheid. Dat is in het kort de samenvatting van het album Seven Horses For Seven Kings van Black To Comm dat in februari van dit jaar verscheen. In veel recensies wordt ‘ie beschreven als soundtrack bij een imaginaire horrorfilm, maar dat doet de plaat tekort. Een soundtrack impliceert dat de muziek ondersteunend is of op de tweede plaats komt. Maar Seven Horses For Seven Kings is daarvoor te urgent, te fijnzinnig en te origineel.
Black To Comm is het project van de Duitse geluidskunstenaar Marc Richter en dit is inmiddels zijn tiende plaat. Zijn ambient en dronemuziek is vaak dromerig en hypnotiserend, niet van deze aarde, maar vaak ook ongemakkelijk schurend. Maar zo luguber als op Seven Horses For Seven Kings heeft hij nog nooit geklonken. Hij gebruikt geluiden die je de stuipen op het lijf jagen: een crescendo van trage blazers, gekmakende pieptonen, ontspoorde orkestopnames, metaalgekletter, alarmbellen, gedruppel of gespetter, knarsende violen, white noise en veel tribale drums.
Meteen al aan het begin barst de hel los. Opener Asphodel Mansion is spookachtig en beklemmend, dat door die dissonante blaaspartijen echt ziekelijk wordt. In disbalans. Tweede ring van de hel is het extreme Miracle No-Mother Child At Your Breast, dat heel langzaam opbouwt en eindigt met niets – ja verschroeide aarde. Bij het vierde nummer Ten Tons Of Rain In A Plastic Cup wordt de sonische kwelling bijna ondraaglijk: scherpe drones die maar blijven aanzwellen en aanzwellen, soms vraag je je af waarom je hiernaar blijft luisteren maar je blijft nieuwsgierig –bijna gulzig – naar wat er nog meer gaat komen. Dat is bijvoorbeeld Licking The Fig Tree dat bijna comateus mooi begint met orgeltonen, waartussen zich een freejazz-saxofoon begint door te wringen. Fascinerend. Fly On You doet in al haar bombastische schoonheid denken aan het hele vroege werk van Laibach (Nova Akropola). If Not, Not begint met razende rituele ritmes, versterkt door een scheurgitaar en synths en spookachtig onderbroken door György Ligeti-achtige zangpartijen.
De stukken op Seven Horses For Seven Kings zijn geen losse soundscapes maar uitgebalanceerde composities met kop en staart. Ze bouwen langzaam op of af op een manier die elke post-rock-fan moet kunnen waarderen. En dat geldt eigenlijk ook voor de plaat als geheel. Seven Horses For Seven Kings begint met horror en ellende en langzaamaan worden de klanken prettiger, al blijft de sfeer altijd duister. Het album eindigt vervolgens met twee bijzondere stukken. Angel Investor is het nummer dat ik als eerste hoorde (in het programma X-Rated van Bob Rusche op de Concertzender) en waar ik meteen verliefd op was. Het is van onaardse schoonheid – niet hemels, want daarvoor is het te zwart, te surrealistisch – met z’n dromerige drones van orgelklanken die traag verspringen. Het doet denken aan Tim Hecker, maar vooral aan Here To Here (Double Headed Secret) van Coil – en ja, dan heb je me.
De laatste track draagt de mythische titel The Courtisan Jigokudayu Sees Herself In A Skeleton In The Mirror Of Hell en duurt meer dan negen bloedmooie minuten. Hier ligt misschien ook wel de sleutel van de hele plaat, want de titel verwijst naar een Japanse houtsnede van de courtisane Otoboshi. Zij is door haar ouders verkocht aan een bordeel en geeft zichzelf daar de naam Jigoku (hel). Ze draagt een kimono met prints van vuur en skeletten, als contrast met de lievige kimono’s en naampjes die alle andere courtisanes dragen. Dan leert een Zen-monnik die haar dat wij mensen alleen maar skeletten zijn, omringd door vlees dat ons man of vrouw maakt. Ze wil ze ook monnik worden – leven als een skelet. Maar haar leermeester raadt haar aan courtisane te blijven: vlees met een hartslag. Want de waarheid ligt niet in stijve ideeën maar in de eenvoud van het alledaagse leven. Het is een gloedvol nummer, met de boodschap dat hoop ligt in de hele kleine dingen in het bestaan.
Dat is wel even wat anders dan de horror en wanhoop waarmee de plaat begint! Seven Horses For Seven Kings is het indrukwekkende verslag van de weg naar hoop.
In 2010 maakte The Arcade Fire hun beste album tot nu toe: The Suburbs, dat volledig gaat over het opgroeien in buitenwijken van Amerikaanse steden als Houston. Heeft William Doyle nu met Your Wilderness Revisited de Engelse pendant gemaakt?
Monowijken, doorzonsteden, vinexia, tuinsteden, uitbreidingswijken, voorsteden, woonerfparadijzen, plantafelsteden, sherrywijken, slaapsteden, bloemkoolwijken of zoals ze in het Engels zo mooi zeggen: a sprawl of houses. Of het nou in Amerika, Engeland of Nederland is, overal zijn ze te vinden. Het draait er vooral om verveling. Verveling gestold in baksteen en asfalt, omringd door stoepgroente, veel perkjes en houtwallen. Lees de roman Lelystad van Joris van Casteren uit 2009 er maar eens op na. Hij omschrijft treffend het totale gebrek aan verbeelding.
“In Lelystad waren de dingen zoals ze waren. Een brievenbus was een brievenbus, een parkeerplaats een parkeerplaats. Bomen leken niet op kromgegroeide gestalten, ze waren netjes aangeplant. Niets leek ergens anders op, alles leek op zichzelf. Lelystad was een serum tegen de verbeelding.”
En:
”Lelystad was gemaakt door praktische mensen die niets aan het toeval wilden overlaten. Elke mogelijke aanzet tot chaos was bij voorbaat beteugeld. In Lelystad bestonden geen onverwachte vormen die associaties opriepen.”
Apathisch Win Butler beschrijft hetzelfde. In het titelnummer van The Suburbs zingt hij bijvoorbeeld over de revolutie, een puberale ‘suburban war’. Die komt er niet van omdat iedereen in de jaren zeventig-wijken te apathisch is. En nog zoiets: aan het eind van de plaat zingt Butlers vrouw Régine Chassagne in The Sprawl II: “They heard me singing and they told me to stop / Quit these pretentious things and just punch the clock”, om vervolgens eindeloze bergenreeksen van ‘dead shopping malls’ te zien.
De nieuwe wijken van de 20e en 21e eeuw lijken te zijn gebouwd om iedereen in een stramien te duwen. De stedenbouwkundigen geloofden werkelijk dat ze op zo’n manier een perfecte samenleving konden schapen, zo blijkt ook uit de stukjes geschiedschrijving in Van Casterens boek. Wat ze vooral creëerden was saaiheid, en op den duur verval. De wijken horen van mensen te zijn, maar in suburbia is het andersom: de mensen zijn ondergeschikt aan het stedenbouwkundig plan. En dat is dodelijk.
Universeel The Suburbs of Your Wilderness Revisited hadden dus typisch Nederlandse platen kunnen zijn. En andersom hadden Lelystad of het Millersdale van Boyle in Zuid-Engeland net zo goed de Woodlands-verkaveling in Houston kunnen zijn, waar Arcade Fire-voorman Win Butler en zijn broer William opgroeiden. Suburbia is misschien niet universeel, maar toch zeker een gedeeld gevoel in de hele westerse wereld.
David Lynch The Suburbs appelleert aan een soort van Wonder Years-gevoel, dat veel (dertigers), veertigers en vijftigers moeten herkennen. Jeugdsentiment naar de tijd dat alles zich traag maar overzichtelijk voortbewoog. (Luister maar naar We Used To Wait van The Arcade Fire.) Waar elk detail werd uitvergroot. Want ja, in suburbia gebeurde nooit iets… Dacht je dan. De nieuwbouwwijken hebben een Wonder Years-kant, maar ook een donkere David Lynch-kant (denk maar aan Blue Velvet). En er speelt zich allerlei ellende a la American Beauty af, verborgen achter de gevelrijen en voortuintjes van de slaapsteden.
Veranderen William Doyle, Win Butler en Joris van Casteren keren alledrie terug naar hun suburbia. Op Your Wilderness Revisited enThe Suburbs en in Lelystad nemen zij allen de rol aan van ‘betrokken toerist’. Ze zijn op zoek naar het Wonder Years-gevoel, maar komen bedrogen uit – William Doyle nog het minst, hij is vooral overweldigd (“And so everything fell upon me / Cascading indefinitely”, zo opent hij zijn plaat). De markante figuren uit hun tijd, hun jeugdvrienden, familie, ze zijn grotendeels verdwenen of compleet veranderd. Hun geest bleef niet in de kale stenen en het grijze beton hangen. “It felt like my hometown left with the people”, zegt Butler in een interview. “It’s someone else’s town now, but it’s not my town.” Dat is best logisch. De nieuwbouwwijk is niet bedoeld als bibliotheek van herinneringen, zoals de oude stadscentra dat zijn. Ze zijn ook niet bedoeld om je aan te hechten. Ze zijn gebouwd om te veranderen, zo concludeert Butler in Suburban War: “This town’s so strange / They built it to change / And while we’re sleeping, all the streets, they rearrange”
Non-descript Butler had net zo goed de betrokken toerist kunnen uithangen in de Tarthorst. Alle nieuwbouwwijken blijken inwisselbaar. Of Toolenburg Zuid. Brandevoort. Passewaaij. Baanhoek West. Dierdonk. De Groote Wielen. De Leesten. Holbroek Zuid. Hatert. De Reeshof. Floriande. Waterdonken. Het Onderdijks. Dragonder Oost. De Eijken. Weidevenne. Hulzebraak 3. Zilverackers. Beverwaard. Ossehaar. De Piekenhoef. Wissinkbrink. Roombeek. Bangert-Oostpolder. Vleuterweide. Hamburgerbroek. De Blauwe Zoom. De Vosholen. Veller. Vaesrade. Het zijn non-descripte namen voor even non-descripte wijken in Nederland, en het maakt– als niet stedenbouwkundige – ook niet uit in welke tijd ze gebouwd zijn. De herinneringen zijn toch vervaagd.
Marcel Proust Of niet? William Doyle staat in die zin tegenover Butler en Van Casteren. Hij zwelgt in de hernieuwde kennismaking – een beetje zoals in À la recherche du temps perdu van Marcel Proust. “The architecture and the planning of the modern British suburb influenced this album as much as the experiences and emotions I superimposed upon that landscape at a formative age,” schrijft Doyle over de invloed van de county of Hampshire op zijn plaat. “I started creating in these places, I started to expand myself in these places, I grappled with grief and loss in these places.” En nu ziet hij vooral ook de schoonheid van de suburbs waar hij is opgegroeid.
Intellectualistisch Muzikaal doet Doyle’s plaat wel denken aan The Arcade Fire, maar er zijn ook associaties met de vroege Genesis. Je hoort jazz en ambient, krautrock, blue-eyed soul en melodische pop: een ‘fine blend’ van stijlen en genres die nog het dichtst in de buurt komt van Another Green World van Brian Eno – alhoewel William Doyle veel uitbundiger zingt. Het album is wel erg intellectualistisch en minder op gevoel. Als je dan perse zou willen vergelijken met The Suburbs, dan valt dat volledig in het voordeel van die laatste uit.
Design guide Niks ten nadele van William Doyle. Hij zette voor Your Wilderness Revisited zijn succesvolle synthipop-carrière als East India Youth aan de kant en maakte gewoon een prachtplaat. Het project krijgt zelfs de goedkeuring van De Allerhoogste… Brian Eno is fan en doet even mee op het nummer Design Guide. In het intro leest hij een aantal holle ontwerperstermen op, waar de stedenbouwkundigen en architecten van suburbia zich aan mogen houden. “Distinctive and positive identity… An understandable layout… A sense of place… Informal interaction among people… Locally distinctive… Safe… Welcoming… Create visual interest… Active street frontages… The presence of gateways… Adaptability within the open space… Decreasing dependency… A sense of community… “
Het stedenbouwkundig plan. Dodelijk? Of moeten we wat meer door de ogen van William Doyle kijken?
Okee, Kyteman uitgezonderd. Maar muzikanten die zich bezighouden met sequencers en modulaire synthesizers zijn steevast hippies en nerds, vaak op leeftijd en van het mannelijk geslacht. Type Klaus Schulze/Rick Wakeman, zeg maar. Wat een verademing om dan eens een jonge vinnige Italiaanse met pikzwart bobkapsel te zien die in Star Wars-achtige bruidsjurken achter haar elektronica staat! Caterina Barbieri is haar naam, geboren (1990) en getogen in Bologna en inmiddels woonachtig in Berlijn.
Houtje-touwtje Dit jaar stond ze op ADE en liet ze zien wat een bijzondere instrumenten die modulaire synthesizers zijn: meestal bruine muziekkasten met allemaal draaiknoppen en een spaghetti aan kabels die de onderdelen met elkaar verbinden. En met die ingewikkelde houtje-touwtje constructies bouwde Barbieri een kathedraal van geluid en grandeur. Ze duwde de ruwe geluidsgolven en polyritmische drones alle kanten op die ze maar wilde. Catarina Barbieri voerde stukken uit van haar derde album Ecstatic Computation – toepasselijke titel! – dat dit jaar verscheen.
Blieps en pieps En dat is een indrukwekkende plaat. Eentje die doet denken aan het beste werk van Klaus Schulze en Tangerine Dream of de B-kant van Low van David Bowie, maar dan met het venijn van de abstracte IDM-pioniers Autechre. Barbieri’s openingstrack, Fantas, is meteen het langste stuk (10.31 minuut). Het begint duister en allengs ontwikkelt zich een tintelende deun – die halverwege helemaal ontspoort in vertragende blieps en pieps om via Klaus Schulze-achtige orgelgeluiden opnieuw tot een climax te komen. Direct daarop volgt de kortste track. Spine Of Desire is een net iets meer dan negentig seconden durende stormloop van klanken uit de Shepard-synth. Net zo buitelend euforisch, maar iets langer uitgestrekt zijn tracks als Closest Approach To Your Orbit en Pinnacles Of You. Afsluiter Bow Of Perception begint elektronisch melancholisch en daarna stuurt Barbieri je alle kanten op tot het album met een soort van anarchistische electrojam stopt… En dan hebben we het helemaal nog niet gehad over Arrows Of Time, ergens halverwege de plaat. Dan slaat ze een spoor in dat we nog niet eerder op haar platen hebben gehoord. Het nummer klinkt bijna middeleeuws met klavecimbel en operazangeressen Annie Garlid en Evelyn Saylor. Een erg mooi evenwicht tegenover al dat algoritmisch geflutter en gestuiter.
Bach en noise Die afwisseling is niet zo vreemd als je zou denken. Barbieri studeerde klassieke gitaar aan het conservatorium van Bologna, en luisterde net zo lief naar barokke luitmuziek van Bach als naar harde noise en metal van bijvoorbeeld Prurient of Keiji Haino. Ze schreef een thesis over hindoestaanse muziek en minimalisme. Steve Reich en Lamonte Young zijn belangrijke invloeden voor haar. Nu experimenteert ze ook met techno en ambient en deelt het podium met experimentele jazz-saxofonist Colin Stetson (die in 2017 mijn eindlijst haalde met All This I Do For Glory).
Panta rhei In 2013 ontdekte ze de Buchla 200-synthesizer en dat was beter dan psychotherapie, zo vertelde ze FACT Magazine vorig jaar. “The surface of cables and knobs was like a display for my own perceptions. Connecting modules was like connecting parts of my being that were dormant and dissociated. Discovering how the activity of one module could invisibly determine the activity of the other was like discovering how different layers of our being are invisibly connected and integrated in complex way.” Juist dat maakt die muziekdozen met kabels zo mysterieus. In tegenstelling tot de moderne techniek, waarin alles zo simpel mogelijk moet zijn, zijn er bij de modulaire synthesizers allerlei verbindingen en dwarsverbanden te maken. Anders dan een knopje of een toets induwen waarop een toon volgt, gaan de ruwe golven maar door en stroomt het geluid op Ecstatic Computation alle kanten op. Panta rhei, net als het leven zelf.