Happy birthday, Rock Bottom

Op deze dag in 1974 bracht Robert Wyatt het album Rock Bottom uit. So happy birthday!

Rock Bottom van Robert Wyatt heeft een beetje een lelijke hoes. Niet echt aantrekkelijk, hij nodigt niet echt uit om te kopen – nu niet en toen (1974) volgens mij ook niet. Maar de hoes weerspiegelt wel precies de sfeer op deze wonderlijke plaat van Wyatt. De muziek is net zo speels als de meisjes op en in het water, net zo melancholiek als het eenzame schip op weg naar de einder. En onder het oppervlak valt er een hele nieuwe, weelderige, surrealistische wereld te ontdekken. Rock Bottom is Alice in Wonderland en Through The Looking Glass tegelijk.

Robert Wyatt makes friendlier records than anyone else I can think of, schrijft Steve Lake in 1974 in het blad Melody Maker. Hij heeft het over een total lack of pretension. En toch is deze plaat magistraal. Dat vrolijk geëxperimenteer van de zanger/drummer/instrumentalist, de puntgave productie van Nick Mason van Pink Floyd, de jazzy improvisaties, surrealistische sfeer, het maakt Rock Bottom tot een onweerstaanbaar mengsel. Tot het vaatje waar ook David Sylvian en Radiohead maar al te graag uit tappen, zo bleek vele vele jaren later.

Het start al met een van de mooiste nummers die Robert Wyatt ooit op plaat heeft gezet: Sea Song. Die is romantisch en melancholisch, maar met bizarre teksten (You look different every time / You come from the foam-crested brine / It’s your skin shining softly in the moonlight / Partly fish, partly porpoise, partly baby sperm whale, en iets later… When you’re drunk you’re terrific / When you’re drunk I like you mostly / Late at night, you’re quite alright) en gaandeweg ontsporen Robert Wyatt’s hoge stem en zijn piano steeds meer. En dan moet de echte gekte nog beginnen. Dat gebeurt als het jazzy A Last Straw (met een vreemde pianosolo die Mike Garson op David Bowie’s Alladin Sane doet verbleken) wegvaagt en Little Red Riding Hood Hit The Road volgt. Een surrealistische fanfare blijft doorjubelen, ook als Wyatt halverwege ‘Oh dear, stop it, stop it!’ schreeuwt en het hele nummer achterstevoren klinkt. Bizar en melancholisch zijn ook de odes aan zijn vrouw Alfreda Benge: Alifib en Alife. (Zij tekende trouwens die hoes.) Wyatt zingt Not nit not / Nit no not / Nit nit folly bololey. Trip trip pip pippy pippy pip pip landerim. En Alfreda antwoordt met een gedicht: I’m not your larder / Jammy jars and mustard / I’m not your dinner / You soppy old custard / And what’s a bololey / When it’s a folly? Ondertussen piept en kraakt en tript de muziek. En blazers lijken van alle kanten te komen. De plaat eindigt grandioos met het nummer Little Red Robin Hood Hit The Road, met jubelende gitaren van Mike Oldfield en de avantgarde viool van Fred Frith (destijds muzikant in Henry Cow). Er is een glansrol voor de Schotse cult-dichter Ivor Cutler (wát een accent!) met een surrealistisch werk. Dan klinkt nog een manische lach en dan is het voorbij. Pfff…

Deze muziek overtuigt je op zijn eigen merites. Ik wilde deze recensie niet gemakkelijk beginnen zoals iedere journalist deed of doet: dat het zo bijzonder is dat Robert Wyatt dit maakte nadat hij letterlijk terugkwam van rock bottom. In 1973 viel hij van een balkon en brak zijn ruggengraat. Zij benen raakten verlamd, zodat hij niet meer in staat was om te drummen. En drummen kón ‘ie, niet voor niets werd hij wereldberoemd met de progrockband Soft Machine. Hij ging niet bij de pakken neerzitten en koos voor een volledig andere koers. Een veel gedurfder eigenlijk, en zo werd Rock Bottom niet alleen een wereldplaat maar ook een levensles. Wat treurig dus dat een van de muzikanten die schittert – trompettist/fluitist Mongezi Feza – een jaar later zou sterven door longontsteking. Er rust geen zegen op de plaat, en juist dat maakt hem zo doordringend en verzengend mooi.

Rock Bottom isn’t an album that will pin you to the wall with dazzling pyrotechnics, but it is one that you’ll be playing again and again, long after most of ‘74’s superheroes have proved to be mere transient fads. Invest wisely, zo besluit Steve Lake zijn Melody Maker-recensie van 3 augustus 1974. Hij bleek een vooruitziende blik te hebben. Blijf dus eeuwig genieten van deze bijzondere plaat.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Too Rye Ay

Op deze dag in 1982 brachten Dexy’s Midnight Runners het album Too Rye Ay uit. So happy birthday!

Een paar weken geleden waren Dexy’s Midnight Runners weer eens in het nieuws. Begin juli 2020 bleek dat president Donald Trump bij een van zijn rally’s het nummer Come On Eileen had gebruikt, hun grote hit uit 1982. Dexy’s kwam met een officieel statement om daartegen bezwaar aan te tekenen, en schaarde zich daarmee in het rijtje REM, Rihanna, Pharrell, Guns n’ Roses, Steven Tyler van Aerosmith, de erfgenamen van ex-Beatle George Harrison, de Village People, Adele, wijlen Tom Petty, Neil Young en de Rolling Stones. (Trump kan straks helemaal niks meer laten horen.)

Een mooi gebaar van Dexy’s Midnight Runners. Het is alleen wel tekenend dat de band alleen maar in het nieuws komt als het Come On Eileen betreft. Vooral in Amerika, maar ook in Nederland – of eigenlijk overal ter wereld met uitzondering van Engeland en Ierland – lijkt men de band alleen maar te kennen van dat nummer. Ooit hield het blad Rolling Stone een verkiezing voor de Top 10 ‘greatest one-hit wonders of all time’. Come On Eileen werd tweede (na A-ha). En Eileen eindigt hier ieder jaar hoog in de Top 2000. Maar dat er een man (Kevin Rowland) en een band achter zaten die in ieder geval drie wereldplaten op hun naam hebben staan, dat lijkt iedereen een beetje vergeten. Van die drie is Too Rye Ay het beste album – alhoewel snobs en puristen zullen kiezen voor de punksoul van de eerste plaat (Searching For The Young Soul Rebels uit 1980) of de melancholie van de derde (Don’t Stand Me Down uit 1986).

Dexy’s Midnight Runners heeft zich vernoemd naar dexedrine of dextro-amfetamine, een drug die veel werd geslikt in de Engelse ‘northern soul’-scene eind jaren zeventig. En speedy soul was ook precies wat de band maakte, hoewel Dexy’s Midnight Runners volgens de verhalen afkerig waren van drank en drugs. Na het bescheiden succes van hun eerste album en de hit Geno – een ode aan soullegende Geno Washington – werd in 1981 de hele band omgegooid. Alleen zanger en multi-instrumentalist Kevin Rowland en trombonist Jim Patterson (de kernleden die zich later gingen afficheren als de ‘Celtic Soul Brothers’) bleven over. De meeste blazers werden vervangen door de vioolspelers van Helen O’Hara en de Emerald Express. De muziek werd een kruising tussen blue-eyed soul en Ierse traditionele folkmuziek, een combinatie waarmee Van Morrison jaren eerder veel indruk maakte. Maar de Dexy’s speelden dit met de energie van punk. (Letterlijk ook, ze speelden een frisse cover van Jackie Wilson Said (I’m In Heaven When You Smile) van Van The Man.) Ze deden hetzelfde wat de Specials deden met oude ska of de Pogues met folk. Keihard en swingend, maar met een melancholie die je tot op het bot kan raken. Dat laatste is mooi te horen op nummers als All In All (This One Last Wild Waltz), Old, Liars A To E of Until I Believe In My Soul.

De eerste single (The Celtic Soul Brothers) deed helemaal niks. De tweede (Come On Eileen) bleek een schot in de roos. Die vrolijke beat, die banjo, dat gekke koortje (‘too-ra-loo-ra, too-ra-loo-rye ay’). De tekst was wel een beetje op het randje: Kevin probeerde een tienermeisje het bed in te zingen, een typische ‘Catholic girl’ die hen kwam interviewen voor de schoolkrant. Violen, vrolijkheid, seks en soul, het was de ultieme mix voor een hit. En dan bleek Kevin Rowland ook nog behept met een bijna Bowie-aans gevoel voor theater en kostuum. De eerdere mod-kleren waren bij Dexy’s ingeruild voor tuinbroeken, zakdoeken, zigeunerachtige oorringen, blote voeten en baardjes. Wat een verademing was dat zootje ongeregeld, tussen al die glitterachtige synthibands van begin jaren tachtig! (Denk Human League, ABC, Orchestral Manouvres In The Dark, Yazoo, Depeche Mode.) En ook nog zonder gitaren. “They’re too noisy and cruel”, zingt Rowland ergens.

Maakten ze zich daar populair mee? Voor die tijd wel. Was het kitscherig wat ze deden op Too Rye Ay? Ja, behoorlijk. Maar is dat erg? Keltische soul als warme broodjes geserveerd, lekker snel, lekker hapklaar. Een beetje wild, een beetje weird, met voldoende diepgang. En dat tien songs achter elkaar – met een kop en een staart: Celtic Soul Brothers was het Sgt Pepper-achtig begin, Come On Eileen de ultieme uitsmijter. Het bleek een niet te versmaden combinatie. Eentje die nu nog steeds staat als een huis. Denk daaraan als Donald Trump of Leo Blokhuis weer eens door het beeld schuift. Too Rye Ay!

Meer jarige platen?

Happy birthday, Debut

Op deze dag in 1993 bracht Björk het album Debut uit. Til hamingju með afmælið!

Het begint met een soort oerwoud-beat en meteen ook valt die stem – die we inmiddels kennen uit duizenden – in. If you even get close to a human / and human behaviour/ be ready be, ready to get confused / There’s defenitely, defenitely, defenitely no logic / to human behaviour / But yet so, yet so irresistable. … Gekke tekst, gekke stem, gekke muziek. Gekke Björk, die een handleiding zingt voor dieren hoe om te gaan met mensen. Ze schreef zo’n liedje als Human Behaviour al als kind. Het zette de toon voor de rest van de plaat. Dat het in de loop de jaren alleen nog maar gekker, knapper en indrukwekkender zou worden bij Björk, dat konden we in 1993 niet vermoeden. Maar ook niet dat ze nooit meer zo fris en onbevangen zou klinken als op Debut.

Debut was precies wat de wereld op dat moment nodig had, tussen al die drollen van ingeslapen Nirvana- en Pearl Jam-klonen in. We kenden Björk (IJslands voor ‘berk’) als adembenemende zangeres van de band de Sugarcubes, met hits als Deus en Birthday eind jaren tachtig. Dus toen het nieuws kwam dat Björk solo zou gaan, verwachtte iedereen een soort Sugarcubes 2.0. Niets bleek minder waar. De IJslandse was in de tussentijd verkast naar Londen, waar ze in de clubscene dook en werkte met Graham Massey van de band 808 State. Maar nog belangrijker: haar toenmalige vriendje (DJ Dominic Thrupp) introduceerde Björk bij Nellee Hooper. Die was destijds misschien wel de hipste en hitgevoeligste producer in de UK en ver daarbuiten. Hooper had Massive Attack geproduceerd en was de grote man achter de fancy clubswing-successen van Soul II Soul. (En later ging hij met U2 en Madonna in zee.)

Björk en Nellee Hooper doken ergens in 1992 samen de studio in. Het duo bleek een gouden combinatie. Hoe gek het op Debut ook zou worden – we horen brassbands, harp, Indiase tablas, arrangementen van Oliver Lake van de freejazz-groep Art Ensemble Of Chicago, Afrikaanse tribal drums, IJslandse atmosferen, fluitjes – Nellee Hooper wist er telkens iets swingends van te maken. Aanstekelijke house. Geen wonder dat er na Human Behaviour nog meer hits volgden, zoals Violently Happy en Big Time Sensuality. De ‘club-feel’ is in extremo te horen op het dubbelzinnige nummer There’s More To Life Than This. Dat is voor een deel letterlijk op de toiletten van de Londense Milk Bar opgenomen. (Je hoort nog net niet het gesnuif van de spiegels.) Björk zingt hoe vervelend dit soort party’s zijn en dat ze het liefst zou willen wegsneaken naar de haven of een eiland – want: er is toch meer in het leven dan dit. En als de houseklanken verstommen, klinkt in het volgende nummer, Like Someone In Love (een cover van de klassieker van jazztrompettist Chet Baker), de 70-jarige Corky Hale op de harp. Wat een contrast.

De plaat kent eigenlijk alleen maar hoogtepunten. Crying is een swingende four-on-the-floor impressie van het lege, vervreemde leven in een metropool als Londen. Big Time Sensuality en One Day zijn volgens Björk zelf het soort nummers dat de DJ’s in de vroege ochtenduren draaien, aan het einde van een party, “when they’re playing for themselves rather than the clubbers”. Dat klopt vooral in het laatste geval. One Day klinkt spacey en deep, heel mooi. Big Time Sensuality is eerder een floorfiller, vind ik, met die bouncy house-klanken. Aeroplane is een jazzy freakout. Come To Me is een beetje een voorloper van wat het Franse Air een aantal jaren zou gaan doen (op Moon Safari). En een van de mooiste nummers op de plaat is Venus As A Boy. Over glijdende strijkers en waterige percussie zingt ze over hemelse verleiding. His wicked sense of humor / suggests exciting sex! / His fingers / They focus on her / Touches / He’s Venus as a boy / He believes in a beauty / He’s Venus as a boy. Dat nummer heeft ze waarschijnlijk niet als kind geschreven…

Het laatste nummer van de plaat is niet meer met Nellee Hooper achter de mixtafels. Anchor Song is door Björk zelf geproduceerd. Hier ook geen housebeats meer, jazz of swing, maar alleen een blaasorkest. Na alle avonturen in Londen, brengt Björk een ode aan haar thuis in IJsland. Heel sec en sereen, heel dichtbij in de productie klinkt haar stem: I live by the ocean / And during the night / I dive into it / Down to the bottom / Underneath all currents / And drop my anchor / As this is where I’m staying / This is my home. Het is prachtig.

Wat een timing: het moment waarop Debut uitkwam kon niet beter zijn. Rond 1993 begonnen house, dance en techno steeds meer integraal onderdeel van popmuziek te worden. Maar de slappe eurohouse en de flauwe worldbeat van Deep Forest moesten nog worden uitgevonden, net als de meer serieuze avantgarde-afsplitingen als IDM of alternatieve triphop. Alles hing nog in de lucht en de vrolijke hints daarvan zijn terug te horen bij Björk en Nellee Hooper. Experiment is fun, speels, zo toont Debut ons. Gelukkig niet intellectueel, maar juist kinderlijk leuk. Niet blasé, maar vol verwondering. Dierlijk. Sexy. En met een onweerstaanbare beat.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Endless Summer

Op deze dag in 2001 bracht Fennesz het album Endless Summer uit. So happy birthday!

Er was een tijd dat Christian Fennesz de ‘Brian Wilson van de glitch’ werd genoemd. Dat is niet zo gek. Hij gaf iets melodisch en melancholisch aan die muziek – iets warms aan de normaal zo koud en klinische, bijna abstracte elektronica, opgetrokken uit ruis, vervorming en hortende en stotende apparaten. Feitelijk deed Fennesz in 2001 precies wat Brian Wilson en de Beach Boys eind jaren zestig deden. En wat tegenwoordig Lana del Rey ook zo goed kan, getuige haar album Norman Fucking Rockwell. De Oostenrijkse glitch-muzikant, de Californische close harmony-band en de hedendaagse crooner-koningin zetten een bitterzoet zomergevoel op muziek. Je hoort de golven, ziet het zand, maar het is niet alleen maar zonnigheid en vrolijkheid daar aan de rand van de oceaan. Er zit iets dromerigs, treurigs in de muziek, iets nostalgisch. Filosofisch zelfs: het gaat over het verglijden van de tijd. Daarom is de titel Endless Summer – die Fennesz ontleende aan een verzamelalbum van de Beach Boys uit 1970 – ook zo ironisch. Of beter gezegd: ze zouden wel wíllen dat de zomer nooit zou stoppen…

Dat je dat gevoel in popmuziek a la Lana del Rey en Brian Wilson kan stoppen, is goed voorstelbaar. Maar glitch? Hoe klinkt dat dan? Als het over de oceaan gaat en over elektronische muziek, dan ligt het voor de hand om de vergelijking te maken tussen de golven van de zee en de sinusgolven waaruit klankpatronen zijn opgebouwd. Zoals de zee allemaal zand en schelpjes mee spoelt, zo komt met de golven van Fennesz ook allemaal gruizigheid mee. Zijn muziek prikt en kriebelt en jeukt. (Dat is nou juist zo mooi aan Endless Summer: er is niks klinisch aan. Daarom is het een beetje jammer dat Fennesz een paar jaar later het album opnieuw uitbracht in een iets opgepoetste versie – die nu ook op Spotify staat. Als het kan, probeer dan de uitgave uit 2001 te pakken te krijgen.)

Christian Fennesz is een gitarist en laptopmuzikant die vaak gitaarspel elektronisch manipuleert tot mysterieuze geluidstapijten. Voor 2001 klonken die ook nogal abstract en koud, en eigenlijk is de opener van Endless Summer, het nummer Made In Hongkong ook nog een beetje een old school gitaarcaleidoscoop. Het titelnummer dat daarop volgt is kalm klotsende ruis, en voor het eerst speelt Christian een akoestische gitaar – sec, en nou eens niet door zijn laptop gehaald. Dat gebeurt ook niet met de zachte elektronische gitaar op Shisheido, die vooral begeleid wordt door synthesizerbliepjes en –plopjes.

In A Year In A Minute tovert hij zware drones om tot warme geluidsgolven, die maar blijven aanspoelen, en langzaam klinkt er steeds meer elektronisch getingeltangel doorheen. Fascinerend. Op Caecilia horen we voor het eerst iets van een melodie in de ijle flutter en noise, plus de klanken van een vibrafoon. Mooi. Fuzz-gitaren, tot in het abstracte verstoord door effectapparatuur, horen we ook weer terug op Got To Move On. Er waren critici die Fennesz destijds vergeleken met fuzz-bands als My Bloody Valentine en de Jesus And Mary Chain, en dat is niet eens zo gek gevonden. Maar de muziek van Fennesz is veel rustiger en ambient-achtig. Het mooiste pakt dat uit op de afsluiter van de 2001-uitgave van Endless Summer. Het nummer Happy Audio is het bijna elf minuten durende hoogtepunt van de plaat, dat ruist rustig in pastorale schoonheid. Net daarvoor pakt Fennesz nog even letterlijk de Beach Boys erbij. Voor het nummer Before I Leave samplet hij een stukje orgelspel van Brian Wilson. Die samples laat hij heel snel overslaan. Ze ratelen en tikken steeds op een andere toonhoogte en zo ontstaat een hele nieuwe atmosfeer. Deze methode – die door glitch-collega Markus Popp alias Oval veel wordt toegepast – levert vaak abstracte, zielloze klanken op (er zit niet veel gevoel in overslaande cd’s, toch?). Maar net als Oval weet Fennesz hier iets melancholisch en warms van te maken.

Die bitterzoete zomer van 2001 zou eeuwig moeten blijven voortmijmeren. Maar daar kwam op 11 september bruut een einde aan. Muzikaal wist Fennesz het momentum ook niet vast te houden. Platen die volgden, zoals Venice in 2004 en Black Sea in 2008 haalden het niveau van Endless Summer bij lange na niet. Ze klonken weer te koud en te abstract. De kracht van Christian Fennesz zit ‘m nu veel meer in de samenwerking: hij maakte prachtige dingen met Ryuichi Sakamoto, David Sylvian en King Midas Sound. En Brian Wilson? Die leeft maar door. Hij treedt af en toe nog op met de Beach Boys, maar dat is eerder pathetisch dan dat het met bitterzoete nostalgie te maken heeft.

Christian en Brian hebben het strand verlaten. De zomer en de oceaan zijn nu aan Lana.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Maggot Brain

Op deze dag in 1971 bracht Funkadelic het album Maggot Brain uit. So happy birthday!

“Who needs this shit?” … Met die vier woorden opende muziekblad Rolling Stone in 1971 hun recensie van het album Maggot Brain van Funkadelic. Het moge duidelijk zijn dat de bespreking niet laaiend enthousiast was. Misschien is dat niet zo gek als je bedenkt wat indertijd hoog in de hitlijsten stond. Het was de brave braafheid van Carole King, James Taylor of Bee Gees dat de klok sloeg. De wereld was duidelijk nog niet toe aan de heavy en druggy funk van onder andere voorman George Clinton, toetsenist Bernie Worrell en gitarist Eddie Hazel – al komt die laatste soms dicht in de buurt van de gitaarerupties die we kennen van Jimi Hendrix.

Eigenlijk waren Clinton cum suis hun tijd altijd al ver vooruit. Jaren voor Maggot Brain solliciteerde hij met zijn doo-wop zanggroepje de Parliaments bij Motown-baas Berry Gordy als de zoveelste Temptations. Gordy vond ze veel te outrageous, dus dat werd niks. Gelukkig maar, want voor Motown hadden Parliament en Funkadelic (dat is dezelfde club) nooit zulke tijdloze, vooruitstrevende platen kunnen maken als de trits Funkadelic, Free Your Mind And Your Ass Will Follow, Maggot Brain en America Eats Its Young – allemaal tussen 1970 en 1972 uitgebracht. Dat was hun psychedelische tijd, zeg maar. De vette P-funk van George Clinton/Parliament/Funkadelic – onder het mom van de Mothership Connection – bleef tot in de jaren tachtig impact houden op bands als de Red Hot Chili Peppers, Prince, Fishbone, Ice Cube en OutKast (ommaarwattenoemen). En nog steeds is de 78-jarige George Clinton een podiumbeest, zo bleek nog maar twee jaar geleden in Luxor Live Arnhem. Alleen moet hij er nu af en toe even bij gaan zitten.

Op het album uit 1971 staan twee stukken die elk ongeveer tien minuten duren en eigenlijk het yin en yang van het album vormen. Het eerste is de bloedstollend mooie en hoopvolle opener Maggot Brain en het album sluit af met Wars Of Armageddon. Dat is druk, duister, chaotisch, lawaaiig: eigenlijk een bad trip op muziek. Of de soundtrack bij een verward persoon, inclusief huilende baby’s, sirenes, vliegtuigen, koekoeksklokken en loeiende koeien. Het is een puberaal nummer ook, want Funkadelic laat op Wars Of Armageddon net zo goed harde scheten de revue passeren. En dat klinkt allemaal met een jachtige congafunk-beat (denk: Santana op speed) eronder en heel veel gitaargescheur. Pfff. Het is een freak out zoals Sister Ray van de Velvet Underground of Helter Skelter van de Beatles.

Het contrast met de song Maggot Brain kon niet groter zijn. Wat een epische track is dat, zeg! Het verhaal gaat dat George Clinton en Eddie Hazel het nummer hebben bedacht tijdens een LSD-trip. Clinton vroeg zijn gitarist te spelen met emotie, alsof hij net gehoord had dat zijn moeder was overleden. In het tweede deel van het stuk moest Hazel dan juist spelen alsof hij hoorde dat ze toch nog leefde – of weer tot leven was gewekt. Van diep treurig tot hoopvol euforisch, het is allemaal mooi terug te horen in de solo. De gitaarpartij is zelfs zó goed, dat George Clinton besloot om de hele – swingende – backingtrack (drum, bas, koebel) weg te laten. Je hoort alleen maar de gitaar en de echo, en dat staat garant voor rillingen over je rug en kippenvel op je armen. Dat het de juiste ingreep bleek, is te horen op de luxe heruitgave van het album Maggot Brain. Daarop staat de originele mix nu ook, en die heeft beduidend minder impact.

Wars Of Armageddon en Maggot Brain, samen vullen de nummers ongeveer de helft van de plaat. Tussen de opener en de afsluiter staan nog vijf nummers, allemaal topklasse funk in de trant van Stand! van Sly & The Family Stone. Lekker! Maar ook een beetje gek. Can You Get To That is laidback funk met een doo-wop refrein. Motown meets Frank Zappa. Hit It And Quit It wordt gedragen door de gitaar van Eddie Hazel en het orgeltje van Bernie Worrell en zo ontstaat een euforische groove. You And Your Folks, Me And My Folks is een swingende protestsong tegen armoede en een oproep aan iedereen om zich te verenigen voor vrijheid en gelijkheid. Een funky Internationale on acid… Super Stupid is pure rock ’n roll die erg doet denken aan de Jimi Hendrix Experience of het veel latere Bad Brains. En Back In OUr Minds is een beetje melig. Niet te versmaden carnavalesk met een slijpende trombone en boogiewoogiepiano op het eind. En daarna start dus de gekte van Armageddon.

Who needs this shit? Iedereen! Rolling Stone zag het niet. Pitchfork wel, al was dat bijna vijftig jaar na dato. Twee weken geleden kreeg Maggot Brain een 10 met een griffel van het toonaangevende muziekplatform.

De tekst van het nummer Maggot Brain is als volgt.
Mother Earth is pregnant for the third time
For y’all have knocked her up
I have tasted the maggots in the mind of the universe
I was not offended
For I knew I had to rise above it all
Or drown in my own shit

Volgens Rolling Stone verdronken zij er in, maar eigenlijk steeg Funkadelic boven alles uit. Dat klinkt als in een trip – dat je hoort dat je moeder weer tot leven is gekomen.

Meer jarige platen?

Happy birthday, It Takes A Nation Of Millions To Hold Us Back

Op deze dag in 1988 bracht Public Enemy het album It Takes A Nation Of Millions To Hold Us Back uit. So happy birthday!

Educate yourself! Sinds de gewelddadige dood van George Floyd, onder de knie van een witte politieman, leeft de slogan van de Black Live Matters-beweging als nooit tevoren. Lees, kijk, luister. Er zijn genoeg bronnen die kunnen vertellen over heden en verleden van racisme – al dan niet institutioneel, al dan niet in Nederland. De plaat RTJ4 was al gemaakt (nét af), maar sinds George Floyd bleek de nieuwste Run The Jewels opeens brandpunt van actualiteit. Vorig jaar verscheen de documentaire I Am Not Your Negro over schrijver James Baldwin (die kun je bekijken op Cinetree als je te lui bent om Baldwins boeken te lezen). Zeer beklemmend is de serie When They See Us, sinds vorig jaar op Netflix, over de Central Park-five: vijf pubers die ten onrechte worden beschuldigd van de verkrachting van een witte vrouw in 1989. Het zijn zomaar drie dingen die me als eerste te binnen schieten. En ik moest meteen denken aan Fight The Power, het krachtige anthem van Public Enemy – ook uit 1989. Het nummer verscheen kort na hun opus magnum: het album It Takes A Nation of Millions To Hold Us Back. Public Enemy werd door rapper Chuck D treffend beschreven als ‘information portal’ – en dat is terug te vinden in tekst, muziek en beeld. “An important message should have its importance embedded into the way it’s relayed”, aldus D. “You hear Public Enemy, you hear a tone that says”look out, this is some serious shit coming!”

Public Enemy bestaat uit rapper Chuck D en sidekick en clown Flavor Flav, dj Terminator X met z’n gouden handjes, ‘ideoloog’ Professor Griffith en zijn S1W’s (Security Of The First World – een soort van gewapende militie). Maar minstens zo belangrijk is het productieteam: The Bomb Squad, met daarin broers Hank en Keith Shocklee, Eric Sadler en Carl Ryder. De ambities voor It Takes A Nation waren torenhoog. Chuck D wilde een tweede What’s Going On? (van Marvin Gaye) maken maar dan voor de rap/hiphop, zo vertelde hij de New York Post jaren later. “We had the sole intention to make an album that stood the test of time, to make the greatest album ever as opposed to hot street record. It was no mistake.” Ze zouden het gaan brengen met de energie van Iron Maiden, The Clash of Led Zeppelin in hun beste dagen, aldus Chuck D. Het moest dus allemaal, harder, sneller, heftiger. Paniek op muziek gezet, zo zou het klinken– vond ook The Bomb Squad. “Most people were saying that rap music was noise”, zei Hank Shocklee in 1989 tegen muziekblad Rolling Stone, “and we decided ‘if they think it’s noise, let’s show them noise’.” En zo geschiedde… Na een kort livepandemonium en gillende sirens, trapt Bring The Noise het album serieus af. “Bass! How low can you go!”, barst Chuck D los. “Death row? What a brother know?”
Die noise is opgebouwd uit stukjes zwarte (muziek)geschiedenis: James Brown, Gil Scott Heron, John Coltrane, speeches van Malcolm X, Jesse Jackson en Louis Farrakhan, gelardeerd met stukjes Queen, Slayer en heel veel harde of gekke geluiden (van fluitketels tot voorhamers, van gilletjes tot staalplaten). Op sommige momenten – zoals in de remix van Night Of The Living Baseheads – klinkt Public Enemy letterlijk als James Brown meets Einstürzende Neubauten.

Voor hiphop-fans in de jaren tachtig kwam It Takes A Nation Of Millions To Hold Us Back niet als verrassing. Allereerst was er al die fijne debuutplaat uit 1987: Yo! Bum Rush The Show. Daarna volgde de trits singles die ook op het meesterwerk uit 1988 terecht kwam: Rebel Without A Pause, Don’t Believe The Hype en Bring The Noise. Die gaven al een blauwdruk van hoe het album zou gaan worden: hard, funky, maar ook boos, tegendraads en avantgarde. Niet gezellig, wel indrukwekkend. De soundtrack van een revolutie.

Waar het allemaal over gaat op die plaat? In Bring The Noise en Don’t Believe The Hype gaan Chuck D en Flavor Flav tekeer tegen de media met hun witte bias. Caught, Can We Get A Witness? is een fantasie waarin Public Enemy voor de rechter moet verschijnen voor diefstal in de vorm van sampling. (Dat was een volkomen achterhaalde gedachte volgens de Shocklee-broers. Die wilden juist een plaat maken die is opgebouwd uit stukjes plaat van anderen. In een boekje uit de fantastische serie 33-1/3 – over de belangrijkste albums in de geschiedenis – beschrijft auteur Chris Weingarten heel treffend hoe de Bomb Squad dit proces van deconstructie en constructie aanpakte. Hoe ze soms moedwillig krassen in het vinyl maakten om het ruiger, gruiziger te laten klinken.) Het vervolg op Caught is misschien wel Black Steel In The Hour Of Chaos: over een heftige ontsnapping uit een zwaarbewaakte gevangenis. She Watch Channel Zero?! is dan weer een aanklacht tegen alle junk en shit op tv. Het meest zwart-militante nummer is Prophets Of Rage – de titel zegt genoeg. Public Enemy haalde vervolgens een truckje uit om het allemaal als één geheel te laten klinken. Ze hebben er stukjes uit een liveshow tussen gezet. Daardoor is het album te beluisteren als integraal optreden.

Dat de band in het echt ook zo hard en snel kon zijn, zo furieus en zo funky tegelijk, zagen wij als witte jochies op 13 oktober 1988 in de Amsterdamse Jaap Edenhal. Public Enemy stond daar samen met onder andere Run DMC voor een uitverkochte hal annex ijsbaan. Niet alleen het volledige podium, ook het voltallige publiek was black and proud – and loud. De enkele aanwezige witman vond het maar grimmig, zo hoorden we achteraf. Wij niet. We waren betoverd door de explosie van beats, noise, samples en scratches. En door zoveel trots. Een natie van miljoenen zou deze geest niet meer in de fles krijgen, zo dachten we naïef. Wisten wij veel dat er de komende dertig jaar niets zou veranderen. It Takes A Nation Of Millions To Hold Us Back is de beste hiphop-plaat ooit gemaakt. Ik krijg er nog een kick van als ik ‘m hoor. Maar dat de roep van Public Enemy nu nog net zo urgent is als toen, maakt me treurig. RIP George Floyd. Er is nog heel veel werk aan de winkel. Het begint met: educate yourself.

En na de dood van George Floyd maakte Public Enemy dit:

Meer jarige platen?

Happy birthday, Brilliant Trees

Op deze dag in 1984 bracht David Sylvian het album Brilliant Trees uit. So happy birthday!

Ik had vroeger – eind jaren tachtig hebben we het over – een vriendinnetje die tot over haar oren verliefd was op David Sylvian. Ja, ook op mij hoor, ik was niet ongelukkig. Maar het Grote Romantische Idool, de Androgyne Adonis, de Mythische Godenzoon was de voormalige zanger van de band Japan. Fijnzinnig, diepzinnig, en ook nog gezegend met een goddelijke stem. Ergens was het maar goed dat ik in de verste verten niet op hem leek. Zo bleef David Sylvian een onbereikbaar, abstract fenomeen.

Op deze manier vielen bosjes meisjes, vrouwen, voor de mooi-boy. Sophisticated Sylvian. Dat was leuk, zolang hij en zijn band nog poppy Roxy Music-gekleurde synthesizerwave maakten: Japan was zo’n typische new romantics-band zoals die in het Engeland van de jaren tachtig zoveel waren. Het probleem begon toen Japan steeds serieuzer muziek ging maken (zoals op de albums Tin Drum en Oil On Canvas). En dat bleek gaandeweg de solocarrière van David Sylvian steeds meer een ding te worden: de mooi-boy werd nooit zo serieus genomen. Hoe ver hij ook ging in zijn experimenten en improvisaties – en dat bleek heeeel ver – en welke grootheden met hem ook het muzikale avontuur aangingen (Fennesz, Holger Czukay, Robert Fripp, Ryuichi Sakamoto, Jaki Liebezeit, Jon Hassell, Arve Henriksen), altijd werd zijn werk gezien als ‘avantgarde-light’. Zo’n denigrerend label verdient David Sylvian absoluut niet!

Was het kinnesinne? Aan de muziekjournalisten en –critici heeft het niet gelegen. Die waren laaiend enthousiast. Zeker toen de band Japan klapte (door botsende ego’s en doordat de zanger er vandoor ging met de vriendin van bassist Mick Karn) en David Sylvian in 1984 op de proppen kwam met zijn eerste soloplaat Brilliant Trees. Dat enthousiasme was terecht. Op latere platen ging David Sylvian misschien veel verder, vooral Manafon uit 2009 is extreem, maar Brilliant Trees is meteen z’n grootste meesterwerk! De plaat is atmosferisch, akoestisch adembenemend, vervreemdend en vertrouwd. Verstild. Ontroerend. Het album is jazz, ambient, wereldmuziek en krautrock tegelijk.

De openingstrack, Pulling Punches, doet nog het meest aan Japan denken: met hamerende basslijntjes en funky blazers. Maar dat er een andere weg wordt ingeslagen hoor je meteen aan die vervreemdende en vervormde solo op de flugelhorn door Holger Czukay – voormalig voorman van de krautrock-band Can. Ook het vierde nummer – de afsluiter van kant A – is nog wat traditioneel. Red Guitar kwam op single uit en werd een bescheiden hit door een jazzy/bossanova contrabas en het subtiele pianospel van Ryuichi Sakamoto. (Sylvian en Sakamoto hadden kort daarvoor een megahit met het nummer Forbidden Colours uit de soundtrack van de film Merry Christmas Mr. Lawrence. Laatst las ik een goede beschrijving: het nummer is een beetje de Careless Whisper voor alternatieve bakvissen…) Kant A van de elpee wordt verder gevuld door een David Sylvian die we tot nu toe nog niet kenden: The Ink In The Well en Nostalgia. IJle gitaren. Donkere contrabas. Een waterig orgeltje. Rare percussie. Klankschalen. Bellen. Een kwijnende trompet. ‘Field recordings’ van Aziatische en Afrikaanse gezangen of radio-opnames van stemmen. Dit hoorde je allemaal niet bij Japan.

Op kant B ontpopt Brilliant Trees zich helemaal als meesterwerk. Je hoort drie nummers: Weathered Wall, Backwaters en de titeltrack. Twee daarvan zijn geschreven met de experimentele trompettist Jon Hassell die onaardse geluiden uit zijn instrument weet te ontlokken. Dit zijn meer sculpturen dan songs. Er lijkt geen structuur in te zitten. Het zijn eerder exercities in geluid. De muziek is heel subtiel. Iedereen mag naar hartenlust improviseren en David Sylvian laat veel ruimte (deze werkwijze wordt op Manafon tot in extremis doorgetrokken). En tegelijkertijd klinkt alles zo logisch en op z’n plaats. Nergens wordt een noot teveel gespeeld of een klank te weinig. Alles is heel fijnzinnig en subtiel gemixt. De sfeer is melancholisch. Het beeldhouwwerk van geluid is van een zeldzame schoonheid.

Hoogtepunt is de afsluiter, het titelnummer Brilliant Trees, zeker als de rondzingende synthesizers en wollige trompetten verstommen en er een subtiel ritme wordt ingestart. David Sylvian en zijn gevolg (Holger Czukay, Sakamoto, Japan-kameraden Steve Jansen, Steve Nye en Richard Barbieri, Jon Hassell, Mark Isham, Kenny Wheeler, Danny Thompson) lijken hier op reis te gaan. Ze slaan een weg in die nog niet bewandeld is in de jazz-, ambient- op popmuziek. Follow de mooi-boy, het wordt een hele spannende muziektrip! Niks avantgarde-light. Dit is de real thing.

Al met al duurt Brilliant Trees maar veertig minuten. Dat is best weinig voor zulke mooie muziek. Platen- en cassetteliefhebbers als ik was, ging ik een jaar later driftig op zoek naar een uitgave waarop ook de plaat Alchemy (An Index Of Possibilities) was vastgeplakt. Dat is hoofdzakelijk instrumentaal werk, gemaakt met Holger Czukay in de slipstream van Brilliant Trees. Zo kon ik nog wat langer genieten van David Sylvian, want ik was inmiddels tot over mijn oren verliefd op zijn muziek.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Live At The Harlem Square Club 1963

Op deze dag in 1985 werd het album Sam Cooke Live At The Harlem Square Club 1963 uitgebracht. So happy birthday!

Dit gaat om opnamen die 22 jaar in het archief van platenmaatschappij RCA hebben gelegen. De muziek was te rauw, dat zou niet passen bij het imago van Sam Cooke. We kennen hem allemaal als de zanger met de zoetgevooisde stem, die eind jaren vijftig begin jaren zestig van de platenbazen een cross-over moest maken naar het witte publiek met niets-aan-de-hand liedjes. Denk maar aan Wonderful World. De zakenmannen zagen een soort van Nat King Cole in hem. Sam Cooke zag dat zelf anders. En terecht. Hij was eigenlijk een vroege verpersoonlijking van de ‘black awareness’-beweging die nog moest komen. Die twee elementen – dat zwarte strijdbare én dat zoetgevooisde – komen samen in de bloedstollend mooie ballad A Change Is Gonna Come, inmiddels de soundtrack bij de rassenrellen van de jaren zestig. Maar over het algemeen zijn de keurig geproduceerde plaatjes die platenmaatschappij RCA van Sam Cooke uitbracht nogal saai.

Wat een contrast is dat met die avond in januari 1963, een jaar voor zijn gewelddadige dood, wanneer de soulzanger op het podium stapt van de obscure Harlem Square Club in Miami. Of beter gezegd: die nacht, want volgens overlevering was het 1 uur ’s nachts dat dit optreden werd opgenomen. Sam Cooke heeft de best denkbare band achter zich, waarin saxofonist King Curtis en gitarist Cornell Dupree de bekendste namen zijn.

Na een korte introductie (“the young man you’ve all been waiting for, mr. Soul!”) barst het los met scheurende saxen, stompende ritmes en een schreeuwende en lachende Sam Cooke. “Don’t fight the feeling. Feel the feeling!” En dat doet iedereen. Je hoort community-singing als in de beste gospeldiensten. De band voert het tempo verder op. Hits als Chain Gang, Cupid en Twisting The Night Away komen voorbij in hele rauwe versies. Dan een medley met daarin het hartverscheurende For Sentimental Reasons. Opvallend is dat Sam Cooke – hoe hard hij ook moet schreeuwzingen om boven het publiek uit te blijven – nergens een noot mist. Overal is ‘ie loepzuiver! Dan beginnen de hoogtepunten van de plaat. Somebody Have Mercy. Nothing Can Change This Love. Het beste nummer van de plaat – Bring It On Home To Me – wordt voorafgegaan door een tweeënhalf minuten durend uitgesteld orgasme waarin Cooke zijn liefje probeert te bellen. Het bouwt maar op en bouwt maar op. En als het nummer dan losbarst… dan hoor je een soort pompende, stuwende oerblues – waar je niet bij stil kunt zitten. Hier laat de rauwe Sam Cooke giganten als Otis Redding en James Brown mijlenver achter zich. En maar lachen die Cooke, hahaha. Hahaha. Having A Party.

Dus niks zoetigheid! De avond was in vitriool gedoopt. Toen deze plaat in 1985 uitkwam, wist de krant Miami Herald een van de RCA-geluidstechnici op te sporen die het optreden heeft opgenomen: Tony Salvatore. “Sam rolled them up that night”, vertelde Salvatore aan de krant. “I remember, right before he went on stage, there was this… thing on the floor that he was about to step on. A scorpion, or a tarantula, or something, and I pointed it out to him, and he smiled and said, ‘Yeah, I know.’ And he stepped on it, squashed it, and went out on stage. It was that kind of night.”
De club was heet, zweterig en vies, zo herinnerde Salvatore zich. Een omgebouwde graanschuur. “It was kind of disco, with a large dance floor. I didn’t see that much of the performance. Because we were in a little office, above the stage, doing the taping. I remember it was a very, very dark club. You couldn’t see anything or anybody. The audience wasn’t eigthty percent black. Not ninety percent. It was a hundred percent black.”

Rolling Stones-gitarist Keith Richards gaf ooit heel mooi het verschil aan tussen oude en nieuwe plaatopnamen. “New records are about recording instruments, while old records were about recording the room.” In die zin valt deze opname van Sam Cooke in de tweede categorie. Gelukkig maar. Niet alleen is hier de ruimte op tape gezet, je hebt zelfs het gevoel alsof je midden tussen het publiek staat! Dichter bij de overleden soulzanger kun je niet komen. (Daarvoor moet je trouwens wel die uitgave uit 1985 hebben, later is het live-album nog een paar keer uitgebracht als onderdeel van cd-boxes, maar daarop is het publiek wat meer naar de achtergrond gemixt. Helaas staat alleen die laatste versie op Spotify.)

De vergelijking wordt vaak gemaakt: is Sam Cooke Live At The Harlem Square Club 1963 beter dan James Brown Live At The Apollo? Het antwoord is ondubbelzinnig: ja! Er zijn zelfs mensen die beweren dat de Harlem Square Club de beste liveplaat ooit gemaakt is. En… ja, ook dat klopt. Na bijna zestig jaar nog steeds. Het enige nadeel is dat het optreden – 36 minuten in totaal – zo kort duurt.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Unknown Pleasures

Op deze dag in 1979 bracht Joy Divison het album Unknown Pleasures uit. So happy birthday!

Pas wat langer na de zelfmoord van zanger Ian Curtis, op 18 mei 1980, brak de cult rondom Joy Division en de enige plaat die bij leven werd afgerond (Unknown Pleasures – meteen ook hun beste) pas echt los. Vervolgens werd er heel veel en soms heel erg kitscherig over Curtis en zijn band geschreven. Ik vroeg mij af: hoe werd het album ontvangen toen Unknown Pleasures net uitkwam? Hoe dachten critici voor en in 1980 over Joy Division? Het stomme is, voordat de cult losbarstte kregen zij niet veel publiciteit. Dus ik moest heel wat spitten in de archieven. Hier volgt een kleine bloemlezing uit Engelse kranten en tijdschriften.

Een van de eerste keren dat de naam Joy Division valt is in een recensie van journalist Paul Morley, in de New Musical Express (NME) van 3 juni 1978. Dat was dus een jaar voordat Unknown Pleasures op de markt kwam. “They’re a dry, doomy group who depend promisingly on the possibilities of repetition, sudden stripping away, with deceptive dynamics, whilst they use sound in a more hard rock manner than, say, either The Fall or Magazine”, schreef hij. “They have an ambiguous appeal, and with patience they could develop strongly and make some testing, worthwhile metallic music.” Achteraf bleek Morley gelijk te krijgen. Alhoewel? Met twee afgeronde albums (na Unknown Pleasures verscheen nog Closer, kort na de dood van Ian Curtis) heeft Joy Division te kort bestaan om van een echte ontwikkeling te spreken.

Het is verfrissend om deze oude interviews en recensies te lezen. Ze zijn nog niet doortrokken van de zelfmoordromantiek, ze zijn nog niet geïllustreerd door de schaduwrijke foto’s van Anton Corbijn of de gotische grafstenen van latere bootlegs. Alleen journalist Dave McCullough hint naar zelfmoord, in de recensie in Sounds van 14 juli 1979 – waarvan hij een soort horror-achtig verhaal maakt dat er mee eindigt dat de hoofdpersoon (Andrew) de hand aan zichzelf slaat: “Andrew walked to the bathroom. He was humming She’s Lost Control to himself when the razor slashed ecstatically like a hungry vampire.”
De plaat krijgt vijf sterren. Dezelfde Dave McCullough zoekt in augustus 1979 de band op in Manchester. Vol verwachting klopte zijn hart, maar het werd geen prettig gesprek. Ian Curtis bleef vaag over het Nazi-achtige artwork op de eerste singles en de naam van de band (‘Joy Divison’ is de benaming voor de plek in een concentratiekamp die werd ingericht als bordeel). “Ach het is maar een naam”, wuifde Curtis weg. En bassist Peter Hook kwam met een welgemeend ‘fuck off’ toen de interview geïrriteerd begon te lachen. Ze zijn ongelooflijk goed, concludeerde McCullough toen hij ze die avond live zag, maar… “They suffer from a stunning lack of anything approaching contrasting humour. The black, overseriousness denies any real, life-like communication and you are left with what is by it’s very nature a contrived, engineered set of songs.”
Journalist Mick Middles schreef ook voor Sounds. Hij vergeleek Joy Division met The Doors, Hawkwind en Black Sabbath. “Dark and loud. Sensuous, seductive and deadly.” De drums zijn disco, aldus Middles, de bas klinkt ‘moody’. En: “Ian Curtis spits out the vague lyrics. The power level rises and drops in inconsistent patterns. Orgasmic and mind-blowing.” Maar ook hij wist niet tot de eigenwijze band door te dringen. “What are the lyrics about?”, vroeg hij Ian Curtis. Die kwam niet verder dan: “I write very subconsciously. I leave it open to interpretation.”

Dus moest het journaille maar interpreteren. Als referenties werden schrijvers als J.G. Ballard, William S. Burroughs en Louis-Ferdinand Céline genoemd. Logisch, Joy Division kopieerde gewoon een boektitel als Atrocity Exhibition van Ballard of de onderwereld Interzone van Burroughs. Ian Curtis heeft ze allemaal gelezen, vertelde hij Alan Hempsall in 1980 in een interview voor het scifi-magazine Extro, maar dan weer: “Subconsciously I suppose something must stick but I’m not influenced consciously by them.” Pfff. Het bleef vaag.
Muzikaal gaf hij wel wat voorkeuren prijs: A Certain Ratio, Magazine, The Fall en Bauhaus. Die laatste band werd later veel genoemd als een van de meest schaamteloze Joy Divison-ripoffs denkbaar. (Onterecht overigens, Bauhaus had heel wat meer in haar mars.)

Een van de ‘vrienden’ van de band was journalist Jon Savage van Melody Maker. Misschien omdat hij ook uit Manchester kwam? Maar misschien ook wel omdat Savage op zijn beurt ook lekker vaag – en lekker gezwollen uit de hoek kon komen. Al in 1979 schreef hij over het einde van de twintigste eeuw en de hang naar nostalgie die dat vergezelde. Hij schreef over Joy Division als soundtrack van het verval van de Westerse samenleving, maar hij noemde het nummer She’s Lost Control ook ‘Gary Glitter meets the Velvet Underground’. En ergens in alle overtrokken woorden zette Savage precies neer waar het bij Joy Division en Ian Curtis om draaide: “Ultimately, in their desperation and confusion about decay, there’s somewhere a premise that what has decayed is more valuable than what is to follow. The strengths of the album, however, belie this. Perhaps, it’s time we all stand facing the future. How soon will it end?”

Dat einde kwam veel te vroeg. Op 18 mei 1980 werd Ian Curtis gevonden, nadat hij zichzelf had verhangen in zijn eigen huis. Hij liet een vrouw en een dochtertje na. En een mythe die tot vandaag voortduurt – compleet met een verkeerd soort romantiek. Kort na Curtis’ dood had Jon Savage weer een vooruitziende blik. “Now, no one will remember what his work with Joy Division was like when he was alive“, schreef hij in Melody Maker. “It will be perceived as tragic rather than courageous.” Meteen al in juni 1980 verafschuwde de journalist de zwarte kitsch die jarenlang bleef rondgalmen. “To mythologise and canonise him as a romantic pessimist who died for his art is to have a corpse in your mouth. It’s also to miss the point and give credence to a myth that is out of date (Chatterton in the early 18th century) and damaging in these bad times.”

Eigenlijk geldt dit nog steeds. We mogen Curtis’ dood het beluisteren van Unknown Pleasures niet laten kleuren. Integendeel: juist zonder die zwarte kitsch is het zo’n enorme wereldplaat!

Meer jarige platen?

Happy birthday, Agætis Byrjun

Op deze dag in 1999 bracht Sigur Rós het album Ágætis Byrjun uit. Til hamingju með afmælið!

We are simply gonna change music forever, and the way people think about music. And don’t think we can’t do it, we will.

Dat is nogal een boude uitspraak bij je tweede album, als je van je debuutplaat nauwelijks meer dan driehonderd exemplaren hebt verkocht… Toch deinsde de IJslandse band Sigur Rós er niet voor terug in 1999. Terecht niet. Hun profetie kwam uit. Met Ágætis Byrjun (Goede Start in het Nederlands) wisten ze met hun slepende non-conformistische en onconventionele klanken een wereldpubliek te bereiken – met een beetje hulp van Brad Pitt, Gwyneth Paltrow, Thom Yorke en Chris Martin, series als CSI en 24, Nissan-reclames, en natuurlijk Tom Cruise en Cameron Crow die maar liefst drie Sigur-songs gebruikten in de film Vanilla Sky.

Maar het is vooral op hun eigen merites dat de band aan het begin van de 21e eeuw – als de plaat eenmaal overal ter wereld is uitgebracht – zo’n doorbraak maakte. Dat is bijzonder, want het geluid van Sigur Rós was – en is – beslist niet doorsnee. En toch… Het is zo’n cliché, maar je komt er niet onderuit. Ágætis Byrjun is de soundtrack van het onherbergzame en tegelijk prachtige IJsland. Dan verval je al snel in het soort reisgidsentaal dat je heel vaak in Sigur Rós-recensies leest. De plaat doet denken aan dampende, borrelende geisers, mistflarden boven koude fjorden, het eb en vloed van de ijszee, lava uit vulkanen, het noorderlicht erboven, zwarte steengronden en nergens een boom te bekennen. De muziek is sprookjesachtig en eh, eh, eh… boreaal (in de niet-besmette betekenis van anno 2000).

Na de wat morsige debuutplaat klinkt Ágætis Byrjun als een klok. Dat is vooral dankzij het nieuwe bandlid Kjartan Sveinsson, die kon componeren en orkestarrangementen schrijven, en producer Ken Thomas (bekend van werk voor zowel Queen als voor Einstürzende Neubauten en Björk). Elektronica, gitaren, blazers, violen, fluitjes, alles komt langs. De plaat grijpt je – na meer dan twintig jaar nog steeds! – bij de strot. De magie begint al na een paar minuten, als na een ambient-achtig intro met iets wat lijkt op het sonargeluid van een onderzeeër het nummer Svefn-g-Englar (Slapende engelen) pas echt losbarst met een soort donkere wolken van fuzzgitaar met strijkstok, en dan de ijle stem van zanger Jonsí die iets in zijn eigen taaltje zingt. Je weet niet wat ‘ie zingt: ‘Itjuu-u’ of misschien wel ‘It’s you’?
Minstens zo aangrijpend is het nummer dat erna komt: Staralfúr (Starende Elf), zwaar georkestreerd met een twinkelende piano maar tegelijk met rare dissonante geluiden op de achtergrond. En wat te denken van Hjartaõ Hamast bamm bamm bamm (Hart Bonst boem boem boem)? Dat begint met een groovy orgeltje, maar al snel barsten weer die gitaardonderwolken los om te eindigen in uiteindelijk een rare ruis. Niets is hard en lawaaiig zoals bij de zoveelste metalband, of doomy zoals veel postrock, maar alles is slepend. Slepend. Sleeeeepend traaaag. Sigur Rós neemt er de tijd voor. De tien nummers op de plaat blijven zelden beperkt tot vijf a zes minuten. Ágætis Byrjun duurt dan ook bijna anderhalf uur. Maar je hoeft je geen moment te vervelen!

Dat hoor je ook op het tien minuten durende Viõrar Vel Til Loftárása (Goed Weer Voor Een Luchtaanval), dat heel langzaam opbouwt met musical-achtige vioolpartijen – een soort van verziekte Sound Of Music – maar op driekwart losbarst in slepende gitaar, echopartijen en die Jonsí-falsetto. Weer zo’n magisch moment!
Ander hoogtepunt op de plaat is Olsen Olsen. De teksten op Ágætis Byrjun zouden met een intensieve Google-translate sessie nog wel uit het IJslands te herleiden zijn, als je daar waarde aan zou hechten. Maar Olsen Olsen is andere koek. Jonsí zingt hier in een zelfbedacht taaltje: Vonlenska – zogenaamd uit het eiland Von, Hoop in het Nederlands. Het is de voorbode van hun volgende album, met de eigenaardige titel () die helemaal in het Vonlenska is gezongen. Dat soort taalexperimenten is altijd fascinerend (denk ook aan I Zimbra van de Talking Heads of Warszawa van David Bowie). Olsen Olsen bewijst – net als al dat onbegrijpelijke IJslands op de rest van de plaat – dat muziek iets universeels kan zijn, niet gebonden aan taal of aan grenzen. Niet voor niets bereikte Sigur Rós wereldfaam in 2000, terwijl niemand een jota van de teksten begreep. Nog maar eens een cliché: het gaat niet om de woorden, het gaat om het gevoel.

Heeft Ágætis Byrjun dan de muziek voor altijd veranderd? … Qua geluid misschien wel. De wereld stond opeens open voor hele nieuwe, exotische klanken. Dat was verfrissend. Een Goede Start van de 21e eeuw – die we anno 2020 misschien nog wel beter kunnen gebruiken dan toen.

Meer jarige platen?