Happy birthday, Upstairs At Eric’s

Op deze dag in 1982 bracht Yazoo het album Upstairs At Eric’s uit. So happy birthday!

Deze plaat is nu 38 jaar oud. Ik was dus 13 jaar toen ‘ie uitkwam. Sommige nummers heb ik zó vaak gehoord dat elke nanoseconde daarvan in mijn DNA is gekropen. Ik heb het dan vooral over de hits, zoals het goddelijk goddelijk g-o-d-d-e-l-i-j-k mooie Only You (ik had die op een singletje), over natuurlijk het dwingend swingende Don’t Go (ook op single) en de apocriefe hit Situation (want die stond niet op de oorspronkelijke Engelse uitgave, later wel in een dancemix op de Amerikaanse – die had ik op maxisingle – wát een kraker!). Druk een knopje in in mijn hoofd en ik ratel ze op, deze drie. Maar de andere nummers op Upstairs At Eric’s zijn minstens zo iconisch. En daar hoef je echt geen Leendert Douma voor te heten.

Yazoo was een duo, een gouden combinatie van twee supernerds en – misschien wel – outcasts. De basis werd gevormd door de eigenwijze synthi-wizard Vince Clarke. Die had al enige naam en faam gemaakt met Depeche Mode (de superhit I Just Can’t Get Enough kwam uit zijn koker), maar ging daar weg met ruzie. Vince Clarke had (heeft?) een gave om catchy deuntjes te schrijven en Yazoo was wat dat betreft his finest hour. (Daarna kwam hij na wat omzwervingen terecht bij een volgend duo: Erasure. Maar dat was nauwelijks te pruimen.)
De échte kracht van Yazoo lag in die combinatie van eenvoudige, koude synthesizerdeuntjes en DIE STEM. Die kwam uit de strot van een andere nerd: Alison Moyet. De ietwat gezette jazz-, soul- en postpunkzangeres had een advertentie op een kaartje in de supermarkt geschreven in het slaperige stadje Basildon. Zij zocht een roots-band om lekker de blues mee te zingen. Vince Clarke zocht juist een stem om een demo van Only You in te zingen… en zo werd Yazoo een feit. Simpele synthpop, kristalhelder geproduceerd, met een diepe warme bluesstem; het was een droomcombi. Ook omdat de Eurythmics nog geboren moesten worden…

Over de singles hoeven we het niet meer te hebben. De rest van de nummers zijn minstens zo boeiend. Zo is Too Pieces een mooie kruising tussen het electrogeluid van Krafwerk en de pop van Human League (hun hitalbum Dare! – met Don’t You Want Me Baby – verscheen rond dezelfde tijd). Bad Connection is een soort van bevroren abstracte doowop/sixtiessoul – met een beetje een cheesy feel en tekst. I Before E Except After C is een raar samplekunstwerkje van Vince Clarke; met alleen maar stemmen zonder enige melodie, zeg maar a la Revolution 9 van de Beatles en een beetje een vreemde eend in de bijt. Boeiend, maar niet waar we voor kwamen. Gelukkig valt meteen daarna Alison Moyet weer in – a capella met haar warme stem – voor de opmaat naar het prachtige Midnight. Dat spelen met samples en stemmen komt in het nummer daarna weer terug, maar dan als onderlaag bij een meer stereotype Yazoo-nummer: In My Room. Ook hier weer red Moyet de boel, met haar stem als een klok. Goodbye ‘70’s swingt als Don’t Go en Situation en had net zo goed op single uitgebracht een dikke hit kunnen worden. Dat geldt trouwens ook voor de Human League-achtige uitsmijter van de plaat: Bring Your Love Down (Didn’t I). Maar voor het zover is horen we nog twee wat donkerder tracks: Tuesday met een typische jaren tachtig crisistekst (de seventies waren echt voorbij, ja) en de gloomy ballad Winter Kills. Dat is echt een kippenvel-nummer, geschreven door Alison Moyet en ook bijna geheel door haar uitgevoerd. Zij zingt en speelt piano, slechts begeleid door een donkere beat van Vince Clarke.

Voilá Upstairs At Eric’s – de plaat is zo genoemd omdat ‘ie werd opgenomen bij en met producer/engineer Eric Radcliffe. Clarke en Moyet hebben het kunstje niet meer weten te herhalen. Ze maakten nog een tweede album in 1983 (You And Me Both), maar die klonk al niet mee zo fris en fruitig. Daarna gingen ze met ruzie uit elkaar. Wat Clarke ging doen, daar hebben we het over gehad. Alison Moyet startte een succesvolle solocarrière met hits als Love Resurrection, All Cried Out en That Ole Devil Called Love. Pas in 2008 kwam Yazoo weer bij elkaar voor een korte reünie waarbij ze de nummers van Upstairs At Eric’s voor het eerst samen live speelden. Dat was leuk voor Engeland, waar de nummers van Yazoo nog veel meer in het DNA zijn gekropen dan aan deze kant van de Noordzee.

Nu is het weer twaalf jaar later, en nog steeds klinken de nummers op Upstairs At Eric’s up-to-date en to-the-point. Situation en Don’t Go misstaan nog steeds niet op de dansvloer. Winter Kills en Midnight mogen nog immer op de radio. En Only You… oooooh wat mooi…

Meer jarige platen?

Happy birthday, Racine Carrée

Op deze dag in 2013 bracht Stromae het album Racine Carrée uit. Joyeux anniversaire!

In Bâtard (bastaard) klinkt het – vertaald uit het Frans: “Ben je Hutu of Tutsi? Ben je Vlaming of Waal? Niet het ene, niet het andere. Je bent, je was en je blijft een bastaard.”

Dat dus.

Waar ik het hoorde weet ik niet meer. Dus het is ook niet na te googlen. Het was ergens in 2013, een interview voor de Engelse radio. Een melodieuze, zacht-warme stem, met een ongelooflijk ‘allo-allo’-accent spreekt over zijn muziek. “Hiphop, pop, dance – the common point is melancholy. That’s international, and I like this word because it’s not only about sadness or happiness – it’s both at the same. And that’s human and that’s life.” Aan het woord is Stromae. Die melancholie lijkt te contrasteren met de vrolijke eurohouse waar hij bekend mee werd (de hit Alors On Danse uit 2010) en waarvan ook op deze plaat heel veel is te vinden. Maar het mooie is dat alles bij Stromae én én is. Vrolijk en treurig tegelijk. Een typisch Belgisch compromis, noemt hij het zelf – want ons buurland is de belichaming van compromis: Vlaams en Waals, noordelijk en zuidelijk, midden in Europa, altijd in het midden. En Brussel – waar Stromae vandaan komt – helemaal. Dat ‘nét niet-gevoel’, zouteloos is het niet maar wat dan wel? Je ne sais quoi. Het is ook terug te horen in de bekendste Belgische muziekstroming, zegt Stromae: de new beat uit de jaren tachtig. “It’s not really house. It’s not really dancemusic, more downtempo. Yet we dance tot it.” Onbegrijpelijk, maar misschien daarom wel zo lekker.

Stromae’s muziek is veel meer dan dat. Op Racine Carrée horen we trap, electro, harde trance, Italo-disco, hiphop, r&b, swingjazz, latin en rumba soms of van die typisch Afrikaanse highlife met tokkelgitaartjes. Woordgrapjes. Taalspelletjes. Onbegrijpelijk, en daarom wel zo lekker. Maar er is veel meer aan de hand. De plaat gaat soms door merg en been. We hebben het over melancholie, meneertje! Dus horen we ook het gevoel en de impact van de betere Franse chansonniers. Jacques Brel natuurlijk, maar ook Charles Aznavour, Edith Piaf, Gilbért Becaud.

De teksten gaan over kanker (Quand c’est wordt zo snel gezongen dat het klinkt als cancèr), aids, racisme, huiselijk geweld of mislukt vaderschap. In Papaoutai – papawaarbenje? – zingt hij “iedereen weet hoe je baby’s maakt, maar niemand weet hoe je vaders maakt”. Stromae, Paul Van Haver voor vrienden, heeft een Vlaamse moeder en een Rwandese vader. Als Paultje 12 is, gaat zijn vader terug naar Rwanda waar hij omkwam tijdens de genocide. Hij heeft zijn vader nooit echt gekend, dat steekt hem nog het meest. En er is heel veel liefdesverdriet op de plaat. Het prijsnummer met de geweldige clip Formidable is daar een van de voorbeelden van, maar ook de europop-pastiche op de opera Carmen van Bizet (met de geweldige tekst: “l’amour es tune oiseau de Twitter, on est blue de lui, seulement pour quarante-huit heures”). En die typische Brusselse mengelmoes hoor je weer in de teksten op Moules frites (mosselen met friet). Lekker, en zo ontzettend Belgisch, maar ge moet die mosselen ook overdrachtelijk zien – knipoog, ge weet toch…

Tegen de tijd dat Racine Carrée verscheen was Stromae (Maestro) een megaster. Als was het de nieuwste van Madonna, zo werd de plaat in geheime luistersessies gepresenteerd. De Europese media smulden ervan. De coolste Belg van het nieuwe millennium werd hij genoemd, en de Jacques Brel van de 21e eeuw. Eerlijk, intelligent en modern. Ta fête werd het officiële lied van de Rode Duivels op het WK. Het album verkocht platina, single Formidable miljoenen en miljoenen. Stromae’s video’s waren kunstwerkjes op zich en vielen overal in de prijzen. Zijn concerten (inclusief Pinkpop en Rock Werchter) sloegen in als een bom. De wereld lag aan zijn voeten. En dat smaakte naar heel veel meer… zou je denken.

In januari 2017 kondigde hij zijn afscheid van het wereldmuziekpodium aan. De reden? Hij werd boos om een cartoon over zijn vader, aldus de overlevering. Daarna hebben we ‘m nog kort gehoord, in gastbijdragen op een nummer van de Franse rapper Orelsan (2018) en bij Coldplay (2019). Nu kampt hij met gezondheidsproblemen – hij lijdt aan depressies als bijwerking van een antimalariamiddel – maar hij ontwerpt kleding en maakt als regisseur nog steeds prachtige clips.

Het leven van de Brusselse bâtard is nog steeds een mengelmoes vol melancholie… (Maar stiekem,stiekem hopen we nog steeds op een tweede Formidable, Tous les mêmes of Papaoutai.)

Meer jarige platen?

Happy birthday, Rum, Sodomy & The Lash

Op deze dag in 1985 brachten de Pogues het album Rum, Sodomy & The Lash uit. So happy birthday!

“Don’t talk to me about naval tradition. It’s nothing but rum, sodomy, and the lash”, zei Winston Churchill ooit en – verdomd! – dachten de Pogues: “it seems to sum up life in our band”. Dus Rum, Sodomy & The Lash werd hun tweede plaat, na Red Roses For Me (1984). De ‘naval tradition’ kwam ook terug in de hoes van de plaat, en eveneens niet zo glorieus. Het werd een pastiche op The Raft of The Medusa, het beroemde schipbreukschilderij van Théodore Géricault uit 1819, maar ditmaal met de bandleden in verschillende staat van ellende als hoofdpersonen op het vlot. Typisch Pogues, die hoes. Het toont de band ten voeten uit: tegelijk heroïsch en meelijwekkend, tegelijk bloedmooi als spuuglelijk. Net als hun muziek. En hun bandnaam trouwens, een verbastering van ‘pogue mahone’, wat goed Iers is voor ‘lik m’n reet’.

Want de Pogues, dat is punk en poëzie, gedrenkt in de Ierse traditie en vooral in heel heel veel alcohol. Het blad SPIN beschreef Rum, Sodomy & The Lash heel raak als een riedel liedjes dat ‘lilted and rocked like an Irish wedding party gone bad: the band’s been drinking, they start to brood… while Shane MacGowan screams about the devil and rape and British soldiers’. Maar er werd ook gehuild op het feestje, want wonderkind MacGowan – die de meeste songs op zijn naam heeft staan – kon ook ontroerende ballads als A Pair Of Brown Eyes of Navigator schrijven, en de prachtige uitsmijter van de plaat: The Band Played Waltzing Mathilda. Allemaal soldatenliedjes die door merg en been gaan. Ze worden afgewisseld door het rauwe geschreeuw op Wild Cats Of Kilkenny, Sally MacLennane en Billy’s Bones. Dan is er nog die beroemde cover van Ewan MacColl’s Dirty Old Town, en de plaat wordt afgetrapt met twee van verhalenverteller MacGowans beste Ierse troeven: de geperverteerde whiskey-stamper The Sick Bed Of Cuchulainn en de nostalgische hoerenklaagzang The Old Main Drag. Als je dan de uitgave te pakken krijgt waar ook de EP Poguetry In Motion aan vastgeplakt zit, dan krijg je onder andere klassiekers als The Body Of An American, London Girl en Rainy Night In Soho (oooh, wat is dat toch mooi) er zomaar bij…

Het album en de EP werden geproduceerd door Elvis Costello, en die wist precies wat hij met het zootje ongeregeld aan moest: ze zonder opsmuk op de plaat zetten (en verliefd worden op bassiste Cait O’Riordan) – opnemen alsof ze live spelen, zonder trucjes, zonder gedoe. Goed, dan zat er eens iemand naast, raspte Shane wat vals, nou en…
De Pogues maken Ierse folk a la The Dubliners, op akoestische instrumenten als fiddle-violen, mandolines, accordeons, banjo’s, handtrommeltjes en fluitjes. Helemaal on-cool, zo halverwege de jaren tachtig, toen de hitlijsten vol stonden met synthesizerfotomodellen als Duran Duran, Spandau Ballet of Nick Kershaw. Maar wat dan juist zo vreselijk cool was, was dat de Pogues deze Ierse folk speelden op pure speed en alcohol, als punk met de energie waar de Sex Pistols bij verbleekten (maar de Clash niet!). Dit was ruig en hard en hier kon je niet bij stil blijven zitten! Je moest wel meeschreeuwen, meedeinen, meepogoën. En meedrinken.

Dat drinken werd wel een dingetje, gaandeweg de carrière van Shane MacGowan in de jaren tachtig en negentig. Shane spuugde er niet in, zoals ze in Nijmegen zeggen. Het maakte hem op zijn best rauw en romantisch, en op zijn slechtst wezenloos en asociaal. MacGowan’s leven werd steeds meer een delirium perpetuum, en zijn optreden met de Pogues op Pinkpop 1995 staat me nog goed bij. Zo pijnlijk, MacGowan was zo ver heen dat hij niet meer kon zingen of bewegen, niet meer wist waar hij was en uiteindelijk van het podium moest worden weggedragen. Hij was toen al verschillende keren uit de band ontslagen en weer aangenomen. Lange tijd leefde MacGowan als nummer twee – na Keith Richards – op de rock ’n roll-dodenlijst, maar Shane weet net als de Stones-gitarist wonderwel te overleven. Al blijft het nu bij beiden artistiek behelpen.

Ach wat maakt het. We hebben Rum, Sodomy & The Lash. En twee jaar later volgde die andere Grote Plaat: If I Should Fall From Grace With God, maar dat is weer een ander verhaal. Nu proosten we eerst nog eens op de Pogues en het wrak op zee. ‘Cheerio, mates, here’s to Churchill!’

Meer jarige platen?

Happy birthday, The Suburbs

Jubileum! Vandaag tien jaar geleden, in 2010, bracht Arcade Fire het album The Suburbs uit. So happy birthday!

The Suburbs is een conceptplaat over ‘coming-of-age’ in een saaie buitenwijk. Arcade Fire-zanger Win Bulter en zijn broer William zijn opgegroeid in The Woodlands, een voorstad van Houston Texas. Win’s vrouw – toetsenist en zangeres Régine Chassagne – is geboren en getogen in een slaapwijk bij Quebec. Duizenden kilometers van elkaar dus, maar er is geen verschil in hoe die suburbs eruit zien (saai) en wat er te doen is (niks). De impact van het opgroeien in suburbia is voor iedereen in het oude of het nieuwe westen hetzelfde. The Woodlands verschilt in die zin niet erg van Leidsche Rijn bij Utrecht, de Tarthorst of de Roghorst in Wageningen of de hele stad Lelystad (lees het gelijknamige boek van Joris van Casteren er maar op na). Ze zijn a. niet gebouwd voor de eeuwigheid en b. niet gebouwd om het er leuk te hebben. This town’s so strange, they built it to change, and while we sleep we know the streets get rearranged, zingen Win en Régine ergens op The Suburbs. En: First they build the road, then they build the town, that’s why we’re still driving around and around and around.

The Suburbs ontstond nadat Win Butler een foto kreeg opgestuurd van een oude vriend, gemaakt bij het winkelcentrum waar ze vroeger rondhingen. Het was een A la recherche du temps perdu-moment dat een stroom aan herinneringen en overpeinzingen in gang zette. Hoe was het leven in die saaie suburbs? Het had een heel ander tempo. Je smachtte wat naar brieven van je kalverliefde. Je bracht je leven wachtend door. Wachten op Godot, want waar je op wachtte zou wel nooit komen. Je leerde autorijden en je reed je rondjes. Je ging naar het winkelcentrum. Je probeerde te ontvluchten naar het stadscentrum, maar dat was natuurlijk helemaal geen vlucht. Het leven bestond uit rondhangen en dagdromen. Het behang was bruin en oranje. De zon scheen. Het gras was dor. Je hoorde krekels. Het gepiep van de schommel stierf langzaam weg. Soms waaide de wind de bladeren door de straten – dan gebeurde er eindelijk wat.

All those wasted hours, we used to know / Spent the summer staring out of the window.

We used to wait / We used to waste hours just walking around/ Oooo we used to wait / Sometimes it never came.

Er is een lijstje met boeken, artikelen, films, series en cd’s die je eigenlijk tot je zou moeten nemen voor een beter begrip van The Suburbs en het leven en opgroeien in een buitenwijk/slaapstad:

Maar hoe het album dan eigenlijk klinkt? The Suburbs is Arcade Fire op zijn best. Soms hoor je Bruce Springsteen-achtige vertel-ballads en rock ’n roll. Er staat een Roy Orbinson-ding op het album (Modern Man). Pure punk (Month Of May). De plaat eindigt met Blondie- of Cindy Lauper-achtige eighties disco in The Sprawl II. (Iets wat Arcade Fire een paar jaar later uitwerkte tot de briljante electro/discopop van Everything Now en Signs Of Life.) Maar ook zijn er akoestische nummers die door merg en been gaan en heerlijk bombastische stadionrock. De Belgische krant De Morgen vergeleek The Suburbs bij het verschijnen met Barbapapa: de muziek neem allemaal verschillende vormen aan, maar het hart van de groep blijft overeind. En dat zestien tracks, een ruim uur lang. Het is dat The Suburbs niet meer in het vinyltijdperk verscheen, maar de plaat wordt vergeleken met de dubbel- (of driedubbel-)albums die wereldartiesten op het hoogtepunt van hun creativiteit maakten, zoals de White Album (van de Beatles)in de jaren zestig, maar vooral Sandinista! (de Clash), The River (Bruce Springsteen), Kiss Me Kiss Me Kiss Me (de Cure) of Sign O’ The Times (Prince) in de jaren tachtig.

They heard me singing and they told me to stop / Quit these pretentious things and just punch the clock, zingt Chassagne op The Suburbs. Doe maar normaal dan doe je al gek genoeg, ze hoorden het als kind al en ze horen het nog steeds. Veel journalisten/recensenten vinden Arcade Fire hysterisch, hoogdravend en hautain. Onecht soms of aanstellerige kunstacademiestudenten. Die pennenlikkers (ik noem geen namen) missen dus de pointe. De zeven man (m/v) van Arcade Fire durven juist hun nek uit te steken, dramatisch te doen in de goede zin des woords en schuwen het experiment niet. Ze spelen met muziek en media. Arcade Fire is nooit voorspelbaar. Ze hebben zich met succes uit de voorspelbare slaapwijken weten te ontworstelen. Dat ziet niet iedereen, maar dat was altijd al zo, zingt Win. Well, some things are pure and somethings are right / But the kids are still standing with their arms folded tight.

Win Butler is niet zozeer poëtisch. Hij is eerder puur en eerlijk. Win en zijn band klinken op deze plaat niet hautain, maar verveeld. Een beetje kwaad en kribbig ook. En Arcade Fire is vooral weemoedig. Naar die stilte en al die verkwiste uren van zijn jeugd. Maar…

If I could have it back, all the time that we wasted / I’d only waste it again

Meer jarige platen?

Happy birthday, Timeless

Jubileum! Vandaag precies vijfentwintig jaar geleden, in 1995, bracht Goldie het album Timeless uit. So happy birthday!

Ratelende ritmes en roffels… Stotterende en struikelende drumcomputers… Reggae en rave… Stemmige synths… Zweverige vocalen… Warme soulstem… De maniakale energie… De monumentale tracks.Tien tot twintig minuten lange trips. Pressure. Jah!.. De keizerlijke dame. Diane Charlemagne… Sampletje hier sampletje daar… Indrukwekkend. Inner City Life… De man met de gouden tanden. Goldie. Duizendpoot… Triphop… Two-step… Terminator… This Is A Bad… Producer Rob Playford. De studio op zijn kop gekeerd… Twinkelende gitaren… Relaxing. Upsetting… Staccato sounds… Onbegrijpelijke bpm’s… Hard ’n heavy… Party people, yeah!

Dat is dus de drum ’n bass – of jungle, zojewil – van Goldie op Timeless, nu 25 jaar oud. Ik was meteen verkocht en kom er nooit meer van los. Wat een plaaaat!

Harde hiphop… Hectische hooks… New age-achtige geluiden. Dolfijnen en een golvende zee. Sea Of Tears… Snijdende synths… Cutting-edge grooves… Etherisch… Donker… De laagste bassen… Housenation… Hard harder hardst… Vriendinnetje Kemistry… Ambient sounds… Pianissimo… You & Me. Nu-soul… Funky drummer in kwadraat… Al die contrasten. Een warm bad en een spijkerbed. Underground… Dillinja… Detroit techno… Duizelingwekkende DJ… State Of Mind… De drummer van de Simple Minds. Mel Gaynor… Hardcore-breakbeat… Een snufje Pink Floyd… Dansbare shit… Punk… Raggamuffin… Grootstedelijke blues. Grijze gebouwen. Grauwe getto’s. Verlaten fabrieken… Van Miami tot Newcastle… De donkere krochten van Londen… De magistraal stralende zon… Dance dance dance, yowza yowza yowza!

Timeless was en is briljant abstract. Onaards soms. En eigenlijk een omkering in perceptie: hoe vaak hoor je het nou dat de drumcomputers en percussie de melodie doen en de zang en de synths het ritme vormen? Bij Goldie is dat dus heel gewoon.

Dit is de definitieve drum ’n bass-plaat.

Flikkerende flipperkast… FFRR… Wall wobbling… Jungleboogie… Rubberen Robbie… Supersub… Pieces of graffiti… Geluidje zus, geluidje zo… Glinsterend glad… Verdergaande frequenties… Rufige KruMetalheadzSaint AngelSensualAdrift… De precisie van een Zwitserse klok… Magnum opus… Industrial noise… Trobbing GristleBrian Eno… Massive Attack. Vriend 3D… Roni Size… Photek… Joey Beltram… Virtuoso… Lieve Capriccio… Symfonische strings… Hyperspeed… Angel… Het voorprogramma van vriendinnetje Björk… Superster. Daten met Naomi Campbell… Al die contrasten… Groundbreaking record… Geen concessie… Geen commercie… Draaikolken van geluid… Onrust en rust, tegelijk… Melancholisch… Magisch mooi… Keihard en swingend… Dit is 24-karaats spektakel!

Dankjewel, Goldie.

Helaas is het hierbij gebleven. De man uit Wolverhampton probeerde het nog een keer met Ring of Saturn/Saturn Returnz (nota bene met een beetje hulp van David Bowie), maar dat is jammerlijk mislukt. Daarna werd hij acteur in Eastenders en James Bond. Tja.

Timeless is timeless, de rest mag je vergeten.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Rock Bottom

Op deze dag in 1974 bracht Robert Wyatt het album Rock Bottom uit. So happy birthday!

Rock Bottom van Robert Wyatt heeft een beetje een lelijke hoes. Niet echt aantrekkelijk, hij nodigt niet echt uit om te kopen – nu niet en toen (1974) volgens mij ook niet. Maar de hoes weerspiegelt wel precies de sfeer op deze wonderlijke plaat van Wyatt. De muziek is net zo speels als de meisjes op en in het water, net zo melancholiek als het eenzame schip op weg naar de einder. En onder het oppervlak valt er een hele nieuwe, weelderige, surrealistische wereld te ontdekken. Rock Bottom is Alice in Wonderland en Through The Looking Glass tegelijk.

Robert Wyatt makes friendlier records than anyone else I can think of, schrijft Steve Lake in 1974 in het blad Melody Maker. Hij heeft het over een total lack of pretension. En toch is deze plaat magistraal. Dat vrolijk geëxperimenteer van de zanger/drummer/instrumentalist, de puntgave productie van Nick Mason van Pink Floyd, de jazzy improvisaties, surrealistische sfeer, het maakt Rock Bottom tot een onweerstaanbaar mengsel. Tot het vaatje waar ook David Sylvian en Radiohead maar al te graag uit tappen, zo bleek vele vele jaren later.

Het start al met een van de mooiste nummers die Robert Wyatt ooit op plaat heeft gezet: Sea Song. Die is romantisch en melancholisch, maar met bizarre teksten (You look different every time / You come from the foam-crested brine / It’s your skin shining softly in the moonlight / Partly fish, partly porpoise, partly baby sperm whale, en iets later… When you’re drunk you’re terrific / When you’re drunk I like you mostly / Late at night, you’re quite alright) en gaandeweg ontsporen Robert Wyatt’s hoge stem en zijn piano steeds meer. En dan moet de echte gekte nog beginnen. Dat gebeurt als het jazzy A Last Straw (met een vreemde pianosolo die Mike Garson op David Bowie’s Alladin Sane doet verbleken) wegvaagt en Little Red Riding Hood Hit The Road volgt. Een surrealistische fanfare blijft doorjubelen, ook als Wyatt halverwege ‘Oh dear, stop it, stop it!’ schreeuwt en het hele nummer achterstevoren klinkt. Bizar en melancholisch zijn ook de odes aan zijn vrouw Alfreda Benge: Alifib en Alife. (Zij tekende trouwens die hoes.) Wyatt zingt Not nit not / Nit no not / Nit nit folly bololey. Trip trip pip pippy pippy pip pip landerim. En Alfreda antwoordt met een gedicht: I’m not your larder / Jammy jars and mustard / I’m not your dinner / You soppy old custard / And what’s a bololey / When it’s a folly? Ondertussen piept en kraakt en tript de muziek. En blazers lijken van alle kanten te komen. De plaat eindigt grandioos met het nummer Little Red Robin Hood Hit The Road, met jubelende gitaren van Mike Oldfield en de avantgarde viool van Fred Frith (destijds muzikant in Henry Cow). Er is een glansrol voor de Schotse cult-dichter Ivor Cutler (wát een accent!) met een surrealistisch werk. Dan klinkt nog een manische lach en dan is het voorbij. Pfff…

Deze muziek overtuigt je op zijn eigen merites. Ik wilde deze recensie niet gemakkelijk beginnen zoals iedere journalist deed of doet: dat het zo bijzonder is dat Robert Wyatt dit maakte nadat hij letterlijk terugkwam van rock bottom. In 1973 viel hij van een balkon en brak zijn ruggengraat. Zij benen raakten verlamd, zodat hij niet meer in staat was om te drummen. En drummen kón ‘ie, niet voor niets werd hij wereldberoemd met de progrockband Soft Machine. Hij ging niet bij de pakken neerzitten en koos voor een volledig andere koers. Een veel gedurfder eigenlijk, en zo werd Rock Bottom niet alleen een wereldplaat maar ook een levensles. Wat treurig dus dat een van de muzikanten die schittert – trompettist/fluitist Mongezi Feza – een jaar later zou sterven door longontsteking. Er rust geen zegen op de plaat, en juist dat maakt hem zo doordringend en verzengend mooi.

Rock Bottom isn’t an album that will pin you to the wall with dazzling pyrotechnics, but it is one that you’ll be playing again and again, long after most of ‘74’s superheroes have proved to be mere transient fads. Invest wisely, zo besluit Steve Lake zijn Melody Maker-recensie van 3 augustus 1974. Hij bleek een vooruitziende blik te hebben. Blijf dus eeuwig genieten van deze bijzondere plaat.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Too Rye Ay

Op deze dag in 1982 brachten Dexy’s Midnight Runners het album Too Rye Ay uit. So happy birthday!

Een paar weken geleden waren Dexy’s Midnight Runners weer eens in het nieuws. Begin juli 2020 bleek dat president Donald Trump bij een van zijn rally’s het nummer Come On Eileen had gebruikt, hun grote hit uit 1982. Dexy’s kwam met een officieel statement om daartegen bezwaar aan te tekenen, en schaarde zich daarmee in het rijtje REM, Rihanna, Pharrell, Guns n’ Roses, Steven Tyler van Aerosmith, de erfgenamen van ex-Beatle George Harrison, de Village People, Adele, wijlen Tom Petty, Neil Young en de Rolling Stones. (Trump kan straks helemaal niks meer laten horen.)

Een mooi gebaar van Dexy’s Midnight Runners. Het is alleen wel tekenend dat de band alleen maar in het nieuws komt als het Come On Eileen betreft. Vooral in Amerika, maar ook in Nederland – of eigenlijk overal ter wereld met uitzondering van Engeland en Ierland – lijkt men de band alleen maar te kennen van dat nummer. Ooit hield het blad Rolling Stone een verkiezing voor de Top 10 ‘greatest one-hit wonders of all time’. Come On Eileen werd tweede (na A-ha). En Eileen eindigt hier ieder jaar hoog in de Top 2000. Maar dat er een man (Kevin Rowland) en een band achter zaten die in ieder geval drie wereldplaten op hun naam hebben staan, dat lijkt iedereen een beetje vergeten. Van die drie is Too Rye Ay het beste album – alhoewel snobs en puristen zullen kiezen voor de punksoul van de eerste plaat (Searching For The Young Soul Rebels uit 1980) of de melancholie van de derde (Don’t Stand Me Down uit 1986).

Dexy’s Midnight Runners heeft zich vernoemd naar dexedrine of dextro-amfetamine, een drug die veel werd geslikt in de Engelse ‘northern soul’-scene eind jaren zeventig. En speedy soul was ook precies wat de band maakte, hoewel Dexy’s Midnight Runners volgens de verhalen afkerig waren van drank en drugs. Na het bescheiden succes van hun eerste album en de hit Geno – een ode aan soullegende Geno Washington – werd in 1981 de hele band omgegooid. Alleen zanger en multi-instrumentalist Kevin Rowland en trombonist Jim Patterson (de kernleden die zich later gingen afficheren als de ‘Celtic Soul Brothers’) bleven over. De meeste blazers werden vervangen door de vioolspelers van Helen O’Hara en de Emerald Express. De muziek werd een kruising tussen blue-eyed soul en Ierse traditionele folkmuziek, een combinatie waarmee Van Morrison jaren eerder veel indruk maakte. Maar de Dexy’s speelden dit met de energie van punk. (Letterlijk ook, ze speelden een frisse cover van Jackie Wilson Said (I’m In Heaven When You Smile) van Van The Man.) Ze deden hetzelfde wat de Specials deden met oude ska of de Pogues met folk. Keihard en swingend, maar met een melancholie die je tot op het bot kan raken. Dat laatste is mooi te horen op nummers als All In All (This One Last Wild Waltz), Old, Liars A To E of Until I Believe In My Soul.

De eerste single (The Celtic Soul Brothers) deed helemaal niks. De tweede (Come On Eileen) bleek een schot in de roos. Die vrolijke beat, die banjo, dat gekke koortje (‘too-ra-loo-ra, too-ra-loo-rye ay’). De tekst was wel een beetje op het randje: Kevin probeerde een tienermeisje het bed in te zingen, een typische ‘Catholic girl’ die hen kwam interviewen voor de schoolkrant. Violen, vrolijkheid, seks en soul, het was de ultieme mix voor een hit. En dan bleek Kevin Rowland ook nog behept met een bijna Bowie-aans gevoel voor theater en kostuum. De eerdere mod-kleren waren bij Dexy’s ingeruild voor tuinbroeken, zakdoeken, zigeunerachtige oorringen, blote voeten en baardjes. Wat een verademing was dat zootje ongeregeld, tussen al die glitterachtige synthibands van begin jaren tachtig! (Denk Human League, ABC, Orchestral Manouvres In The Dark, Yazoo, Depeche Mode.) En ook nog zonder gitaren. “They’re too noisy and cruel”, zingt Rowland ergens.

Maakten ze zich daar populair mee? Voor die tijd wel. Was het kitscherig wat ze deden op Too Rye Ay? Ja, behoorlijk. Maar is dat erg? Keltische soul als warme broodjes geserveerd, lekker snel, lekker hapklaar. Een beetje wild, een beetje weird, met voldoende diepgang. En dat tien songs achter elkaar – met een kop en een staart: Celtic Soul Brothers was het Sgt Pepper-achtig begin, Come On Eileen de ultieme uitsmijter. Het bleek een niet te versmaden combinatie. Eentje die nu nog steeds staat als een huis. Denk daaraan als Donald Trump of Leo Blokhuis weer eens door het beeld schuift. Too Rye Ay!

Meer jarige platen?

Happy birthday, Debut

Op deze dag in 1993 bracht Björk het album Debut uit. Til hamingju með afmælið!

Het begint met een soort oerwoud-beat en meteen ook valt die stem – die we inmiddels kennen uit duizenden – in. If you even get close to a human / and human behaviour/ be ready be, ready to get confused / There’s defenitely, defenitely, defenitely no logic / to human behaviour / But yet so, yet so irresistable. … Gekke tekst, gekke stem, gekke muziek. Gekke Björk, die een handleiding zingt voor dieren hoe om te gaan met mensen. Ze schreef zo’n liedje als Human Behaviour al als kind. Het zette de toon voor de rest van de plaat. Dat het in de loop de jaren alleen nog maar gekker, knapper en indrukwekkender zou worden bij Björk, dat konden we in 1993 niet vermoeden. Maar ook niet dat ze nooit meer zo fris en onbevangen zou klinken als op Debut.

Debut was precies wat de wereld op dat moment nodig had, tussen al die drollen van ingeslapen Nirvana- en Pearl Jam-klonen in. We kenden Björk (IJslands voor ‘berk’) als adembenemende zangeres van de band de Sugarcubes, met hits als Deus en Birthday eind jaren tachtig. Dus toen het nieuws kwam dat Björk solo zou gaan, verwachtte iedereen een soort Sugarcubes 2.0. Niets bleek minder waar. De IJslandse was in de tussentijd verkast naar Londen, waar ze in de clubscene dook en werkte met Graham Massey van de band 808 State. Maar nog belangrijker: haar toenmalige vriendje (DJ Dominic Thrupp) introduceerde Björk bij Nellee Hooper. Die was destijds misschien wel de hipste en hitgevoeligste producer in de UK en ver daarbuiten. Hooper had Massive Attack geproduceerd en was de grote man achter de fancy clubswing-successen van Soul II Soul. (En later ging hij met U2 en Madonna in zee.)

Björk en Nellee Hooper doken ergens in 1992 samen de studio in. Het duo bleek een gouden combinatie. Hoe gek het op Debut ook zou worden – we horen brassbands, harp, Indiase tablas, arrangementen van Oliver Lake van de freejazz-groep Art Ensemble Of Chicago, Afrikaanse tribal drums, IJslandse atmosferen, fluitjes – Nellee Hooper wist er telkens iets swingends van te maken. Aanstekelijke house. Geen wonder dat er na Human Behaviour nog meer hits volgden, zoals Violently Happy en Big Time Sensuality. De ‘club-feel’ is in extremo te horen op het dubbelzinnige nummer There’s More To Life Than This. Dat is voor een deel letterlijk op de toiletten van de Londense Milk Bar opgenomen. (Je hoort nog net niet het gesnuif van de spiegels.) Björk zingt hoe vervelend dit soort party’s zijn en dat ze het liefst zou willen wegsneaken naar de haven of een eiland – want: er is toch meer in het leven dan dit. En als de houseklanken verstommen, klinkt in het volgende nummer, Like Someone In Love (een cover van de klassieker van jazztrompettist Chet Baker), de 70-jarige Corky Hale op de harp. Wat een contrast.

De plaat kent eigenlijk alleen maar hoogtepunten. Crying is een swingende four-on-the-floor impressie van het lege, vervreemde leven in een metropool als Londen. Big Time Sensuality en One Day zijn volgens Björk zelf het soort nummers dat de DJ’s in de vroege ochtenduren draaien, aan het einde van een party, “when they’re playing for themselves rather than the clubbers”. Dat klopt vooral in het laatste geval. One Day klinkt spacey en deep, heel mooi. Big Time Sensuality is eerder een floorfiller, vind ik, met die bouncy house-klanken. Aeroplane is een jazzy freakout. Come To Me is een beetje een voorloper van wat het Franse Air een aantal jaren zou gaan doen (op Moon Safari). En een van de mooiste nummers op de plaat is Venus As A Boy. Over glijdende strijkers en waterige percussie zingt ze over hemelse verleiding. His wicked sense of humor / suggests exciting sex! / His fingers / They focus on her / Touches / He’s Venus as a boy / He believes in a beauty / He’s Venus as a boy. Dat nummer heeft ze waarschijnlijk niet als kind geschreven…

Het laatste nummer van de plaat is niet meer met Nellee Hooper achter de mixtafels. Anchor Song is door Björk zelf geproduceerd. Hier ook geen housebeats meer, jazz of swing, maar alleen een blaasorkest. Na alle avonturen in Londen, brengt Björk een ode aan haar thuis in IJsland. Heel sec en sereen, heel dichtbij in de productie klinkt haar stem: I live by the ocean / And during the night / I dive into it / Down to the bottom / Underneath all currents / And drop my anchor / As this is where I’m staying / This is my home. Het is prachtig.

Wat een timing: het moment waarop Debut uitkwam kon niet beter zijn. Rond 1993 begonnen house, dance en techno steeds meer integraal onderdeel van popmuziek te worden. Maar de slappe eurohouse en de flauwe worldbeat van Deep Forest moesten nog worden uitgevonden, net als de meer serieuze avantgarde-afsplitingen als IDM of alternatieve triphop. Alles hing nog in de lucht en de vrolijke hints daarvan zijn terug te horen bij Björk en Nellee Hooper. Experiment is fun, speels, zo toont Debut ons. Gelukkig niet intellectueel, maar juist kinderlijk leuk. Niet blasé, maar vol verwondering. Dierlijk. Sexy. En met een onweerstaanbare beat.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Endless Summer

Op deze dag in 2001 bracht Fennesz het album Endless Summer uit. So happy birthday!

Er was een tijd dat Christian Fennesz de ‘Brian Wilson van de glitch’ werd genoemd. Dat is niet zo gek. Hij gaf iets melodisch en melancholisch aan die muziek – iets warms aan de normaal zo koud en klinische, bijna abstracte elektronica, opgetrokken uit ruis, vervorming en hortende en stotende apparaten. Feitelijk deed Fennesz in 2001 precies wat Brian Wilson en de Beach Boys eind jaren zestig deden. En wat tegenwoordig Lana del Rey ook zo goed kan, getuige haar album Norman Fucking Rockwell. De Oostenrijkse glitch-muzikant, de Californische close harmony-band en de hedendaagse crooner-koningin zetten een bitterzoet zomergevoel op muziek. Je hoort de golven, ziet het zand, maar het is niet alleen maar zonnigheid en vrolijkheid daar aan de rand van de oceaan. Er zit iets dromerigs, treurigs in de muziek, iets nostalgisch. Filosofisch zelfs: het gaat over het verglijden van de tijd. Daarom is de titel Endless Summer – die Fennesz ontleende aan een verzamelalbum van de Beach Boys uit 1970 – ook zo ironisch. Of beter gezegd: ze zouden wel wíllen dat de zomer nooit zou stoppen…

Dat je dat gevoel in popmuziek a la Lana del Rey en Brian Wilson kan stoppen, is goed voorstelbaar. Maar glitch? Hoe klinkt dat dan? Als het over de oceaan gaat en over elektronische muziek, dan ligt het voor de hand om de vergelijking te maken tussen de golven van de zee en de sinusgolven waaruit klankpatronen zijn opgebouwd. Zoals de zee allemaal zand en schelpjes mee spoelt, zo komt met de golven van Fennesz ook allemaal gruizigheid mee. Zijn muziek prikt en kriebelt en jeukt. (Dat is nou juist zo mooi aan Endless Summer: er is niks klinisch aan. Daarom is het een beetje jammer dat Fennesz een paar jaar later het album opnieuw uitbracht in een iets opgepoetste versie – die nu ook op Spotify staat. Als het kan, probeer dan de uitgave uit 2001 te pakken te krijgen.)

Christian Fennesz is een gitarist en laptopmuzikant die vaak gitaarspel elektronisch manipuleert tot mysterieuze geluidstapijten. Voor 2001 klonken die ook nogal abstract en koud, en eigenlijk is de opener van Endless Summer, het nummer Made In Hongkong ook nog een beetje een old school gitaarcaleidoscoop. Het titelnummer dat daarop volgt is kalm klotsende ruis, en voor het eerst speelt Christian een akoestische gitaar – sec, en nou eens niet door zijn laptop gehaald. Dat gebeurt ook niet met de zachte elektronische gitaar op Shisheido, die vooral begeleid wordt door synthesizerbliepjes en –plopjes.

In A Year In A Minute tovert hij zware drones om tot warme geluidsgolven, die maar blijven aanspoelen, en langzaam klinkt er steeds meer elektronisch getingeltangel doorheen. Fascinerend. Op Caecilia horen we voor het eerst iets van een melodie in de ijle flutter en noise, plus de klanken van een vibrafoon. Mooi. Fuzz-gitaren, tot in het abstracte verstoord door effectapparatuur, horen we ook weer terug op Got To Move On. Er waren critici die Fennesz destijds vergeleken met fuzz-bands als My Bloody Valentine en de Jesus And Mary Chain, en dat is niet eens zo gek gevonden. Maar de muziek van Fennesz is veel rustiger en ambient-achtig. Het mooiste pakt dat uit op de afsluiter van de 2001-uitgave van Endless Summer. Het nummer Happy Audio is het bijna elf minuten durende hoogtepunt van de plaat, dat ruist rustig in pastorale schoonheid. Net daarvoor pakt Fennesz nog even letterlijk de Beach Boys erbij. Voor het nummer Before I Leave samplet hij een stukje orgelspel van Brian Wilson. Die samples laat hij heel snel overslaan. Ze ratelen en tikken steeds op een andere toonhoogte en zo ontstaat een hele nieuwe atmosfeer. Deze methode – die door glitch-collega Markus Popp alias Oval veel wordt toegepast – levert vaak abstracte, zielloze klanken op (er zit niet veel gevoel in overslaande cd’s, toch?). Maar net als Oval weet Fennesz hier iets melancholisch en warms van te maken.

Die bitterzoete zomer van 2001 zou eeuwig moeten blijven voortmijmeren. Maar daar kwam op 11 september bruut een einde aan. Muzikaal wist Fennesz het momentum ook niet vast te houden. Platen die volgden, zoals Venice in 2004 en Black Sea in 2008 haalden het niveau van Endless Summer bij lange na niet. Ze klonken weer te koud en te abstract. De kracht van Christian Fennesz zit ‘m nu veel meer in de samenwerking: hij maakte prachtige dingen met Ryuichi Sakamoto, David Sylvian en King Midas Sound. En Brian Wilson? Die leeft maar door. Hij treedt af en toe nog op met de Beach Boys, maar dat is eerder pathetisch dan dat het met bitterzoete nostalgie te maken heeft.

Christian en Brian hebben het strand verlaten. De zomer en de oceaan zijn nu aan Lana.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Maggot Brain

Op deze dag in 1971 bracht Funkadelic het album Maggot Brain uit. So happy birthday!

“Who needs this shit?” … Met die vier woorden opende muziekblad Rolling Stone in 1971 hun recensie van het album Maggot Brain van Funkadelic. Het moge duidelijk zijn dat de bespreking niet laaiend enthousiast was. Misschien is dat niet zo gek als je bedenkt wat indertijd hoog in de hitlijsten stond. Het was de brave braafheid van Carole King, James Taylor of Bee Gees dat de klok sloeg. De wereld was duidelijk nog niet toe aan de heavy en druggy funk van onder andere voorman George Clinton, toetsenist Bernie Worrell en gitarist Eddie Hazel – al komt die laatste soms dicht in de buurt van de gitaarerupties die we kennen van Jimi Hendrix.

Eigenlijk waren Clinton cum suis hun tijd altijd al ver vooruit. Jaren voor Maggot Brain solliciteerde hij met zijn doo-wop zanggroepje de Parliaments bij Motown-baas Berry Gordy als de zoveelste Temptations. Gordy vond ze veel te outrageous, dus dat werd niks. Gelukkig maar, want voor Motown hadden Parliament en Funkadelic (dat is dezelfde club) nooit zulke tijdloze, vooruitstrevende platen kunnen maken als de trits Funkadelic, Free Your Mind And Your Ass Will Follow, Maggot Brain en America Eats Its Young – allemaal tussen 1970 en 1972 uitgebracht. Dat was hun psychedelische tijd, zeg maar. De vette P-funk van George Clinton/Parliament/Funkadelic – onder het mom van de Mothership Connection – bleef tot in de jaren tachtig impact houden op bands als de Red Hot Chili Peppers, Prince, Fishbone, Ice Cube en OutKast (ommaarwattenoemen). En nog steeds is de 78-jarige George Clinton een podiumbeest, zo bleek nog maar twee jaar geleden in Luxor Live Arnhem. Alleen moet hij er nu af en toe even bij gaan zitten.

Op het album uit 1971 staan twee stukken die elk ongeveer tien minuten duren en eigenlijk het yin en yang van het album vormen. Het eerste is de bloedstollend mooie en hoopvolle opener Maggot Brain en het album sluit af met Wars Of Armageddon. Dat is druk, duister, chaotisch, lawaaiig: eigenlijk een bad trip op muziek. Of de soundtrack bij een verward persoon, inclusief huilende baby’s, sirenes, vliegtuigen, koekoeksklokken en loeiende koeien. Het is een puberaal nummer ook, want Funkadelic laat op Wars Of Armageddon net zo goed harde scheten de revue passeren. En dat klinkt allemaal met een jachtige congafunk-beat (denk: Santana op speed) eronder en heel veel gitaargescheur. Pfff. Het is een freak out zoals Sister Ray van de Velvet Underground of Helter Skelter van de Beatles.

Het contrast met de song Maggot Brain kon niet groter zijn. Wat een epische track is dat, zeg! Het verhaal gaat dat George Clinton en Eddie Hazel het nummer hebben bedacht tijdens een LSD-trip. Clinton vroeg zijn gitarist te spelen met emotie, alsof hij net gehoord had dat zijn moeder was overleden. In het tweede deel van het stuk moest Hazel dan juist spelen alsof hij hoorde dat ze toch nog leefde – of weer tot leven was gewekt. Van diep treurig tot hoopvol euforisch, het is allemaal mooi terug te horen in de solo. De gitaarpartij is zelfs zó goed, dat George Clinton besloot om de hele – swingende – backingtrack (drum, bas, koebel) weg te laten. Je hoort alleen maar de gitaar en de echo, en dat staat garant voor rillingen over je rug en kippenvel op je armen. Dat het de juiste ingreep bleek, is te horen op de luxe heruitgave van het album Maggot Brain. Daarop staat de originele mix nu ook, en die heeft beduidend minder impact.

Wars Of Armageddon en Maggot Brain, samen vullen de nummers ongeveer de helft van de plaat. Tussen de opener en de afsluiter staan nog vijf nummers, allemaal topklasse funk in de trant van Stand! van Sly & The Family Stone. Lekker! Maar ook een beetje gek. Can You Get To That is laidback funk met een doo-wop refrein. Motown meets Frank Zappa. Hit It And Quit It wordt gedragen door de gitaar van Eddie Hazel en het orgeltje van Bernie Worrell en zo ontstaat een euforische groove. You And Your Folks, Me And My Folks is een swingende protestsong tegen armoede en een oproep aan iedereen om zich te verenigen voor vrijheid en gelijkheid. Een funky Internationale on acid… Super Stupid is pure rock ’n roll die erg doet denken aan de Jimi Hendrix Experience of het veel latere Bad Brains. En Back In OUr Minds is een beetje melig. Niet te versmaden carnavalesk met een slijpende trombone en boogiewoogiepiano op het eind. En daarna start dus de gekte van Armageddon.

Who needs this shit? Iedereen! Rolling Stone zag het niet. Pitchfork wel, al was dat bijna vijftig jaar na dato. Twee weken geleden kreeg Maggot Brain een 10 met een griffel van het toonaangevende muziekplatform.

De tekst van het nummer Maggot Brain is als volgt.
Mother Earth is pregnant for the third time
For y’all have knocked her up
I have tasted the maggots in the mind of the universe
I was not offended
For I knew I had to rise above it all
Or drown in my own shit

Volgens Rolling Stone verdronken zij er in, maar eigenlijk steeg Funkadelic boven alles uit. Dat klinkt als in een trip – dat je hoort dat je moeder weer tot leven is gekomen.

Meer jarige platen?