Happy birthday, Dummy

Op deze dag in 1994 bracht Portishead het album Dummy uit. So happy birthday!

Er zijn albums, die hangen als het ware in de lucht. Er zijn geen voortekenen en geen sporen aanwijsbaar. Het is een geheim – of in dit verband toepasselijker: een mysterie. Opeens is er een plak prachtige muziek, of een plastic bierviltje vol, zo je wil. Vijftig minuten in dit geval, het gaat om Dummy, de donkere debuutplaat van Portishead uit Bristol.

Achteraf zijn er een paar kleine aanwijzingen te vinden. Hele kleine. Zo speelde de gitarist/multi-instrumentalist Adrian Utley een blauwe maandag bij jazzgiganten Art Blakey & The Jazz Messengers. En de grote man achter Portishead, Geoff Barrow, was een paar jaar daarvoor tape-operator bij de opnames van Blue Lines van stadsgenoten Massive Attack. Maar dat is het wel zo’n beetje. Van de grootste revelatie op deze plaat, zangeres Beth Gibbons, had nog nooit iemand gehoord. De toen 22-jarige Barrow – een slungelachtige jongen met een paardenstaart – en de 30-jarige zangeres ontmoetten elkaar bij de sociale dienst waar ze een of andere back-to-work-cursus deden. Het was een onwaarschijnlijke klik, helemaal toen de 37-jarige jazzgitarist erbij kwam, maar het werkte. Portishead – vernoemd naar een voorhaven van Bristol – was geboren.

Geoff Barrow blinkt uit in het maken van gruizige beats, loom, soms ratelend, slepend, zeg maar een beetje James Brown’s Funky Drummer maar dan een paar versnellingen lager, en soms als een alarm of een draaiende machine of een stoorzender. Daaroverheen zet hij allerlei spookachtige geluiden, met synths, maar ook met een Fender Rhodes-piano. En allerlei vreemde scratches – het is draaitafelalchemie (iets wat later opgang zou maken onder de trend ‘turntablism’). Naar het schijnt liet hij tracks die hij maakte als proefpersing op vinyl zetten, om daarmee weer te gaan scratchen. Die onbekende slungel draaide zo onwereldse tracks in elkaar, maar vreemd genoeg lijkt alles precies op zijn plaats te vallen. Alsof ‘ie nooit iets anders heeft gedaan. Ze klinken als Eric B & Rakim meets Cocteau Twins meets The Orb meets Angelo Badalementi, ofzoiets ofzo. Er zitten hele bizarre samples en scratches in, zoals de bubblegum-pop van I’ll Never Fall In Love Again van crooner Johnny Ray, dat ook een paar versnellingen lager wordt gepitcht (16 BPM) alvorens de scratch-behandeling te krijgen. Over die bizarre tracks horen we Adrian Utley op gitaar, bas en Hammond-orgel. En smaakvolle violen – op arrangementen van Utley. Altijd smaakvol, altijd precies op zijn plek ook. Alleen op uitsmijter en single Glorybox gaat hij loos op gitaar – als een soort van kruising tussen artrocker Robert Fripp en David Gilmour van Pink Floyd.
Ja, en dan zangeres Beth Gibbons… Alleen al haar verschijning is mysterieus. Ze is wit, frêle en altijd met een sigaret in haar hand – als een soort van buitenaardse nachtclubzangeres in de beste Twin Peaks-traditie. Gibbons’ stem en uitstraling worden vergeleken met zowel Billie Holiday, Liz Frasier (van Cocteau Twins) als Sandy Denny. En dat klopt allemaal wel, denk ik. Ze zingt soulvol, zuiver, maar ook voorzichtig en etherisch. Soms flirterig, pesterig, soms uiterst donker en depressief. Ze bestrijkt veel registers.

Zo zetten de drie op perfecte wijze een eigen universum neer, vol gestoorde breakbeats, jazzy klanken, gloomy sfeertjes. De plaat klinkt zo ‘blue’ als haar hoes. Of zo zwart als de kosmos? Portishead zit ook vol uitdovende sterren en… vol vacuüm… Het is vaak leegte, waar het op Dummy om draait… Leegte tussen de beats, kaalheid in de tracks, spaarzaamheid in klanken, de valse lucht in Beth Gibbons’ stem… Misschien is het kitscherig of vergezocht, maar je zou Dummy kunnen vergelijken met een zwart gat. De plaat zuigt je op tot er niks meer van je over is.

De band komt dus uit Bristol, net als Massive Attack en Tricky. Voor popjournalisten was dit de reden om een nieuw genre uit te vinden: triphop. Een beetje gezocht, want heel veel overeenkomsten hebben de Bristol-bands niet. Ze haalden elkaars tracks weliswaar door de mixer, en Portishead’s hit Glorybox heeft hetzelfde ritme als het nog veel donkerder Hell Is ‘Round The Corner van Tricky – namelijk een sample van de baspartij uit Ike’s Rap II van Isaac Hayes (alleen is het exemplaar van Tricky veel meer grijsgedraaid en gruizig). Maar als puntje bij paaltje komt heeft elke act zijn geheel eigen geluid. Dat heeft misschien wel de toon gezet voor veel van wat erna komt, zonder Dummy zouden bijvoorbeeld Lamb, Morcheeba of Hooverphonic nooit hebben bestaan. En Portishead zelf? Ze maken een slappe opvolger in 1997 en een liveplaat met een symfonieorkest in 1998 (beetje mwoah). Daarna wordt het stil. Ik heb Beth Gibbons nog eens gezien op het Dour Festival met een eigen band, maar dat maakt ook geen indruk. Dan – opnieuw uit het niets! – is er opeens in 2008 het album Third. Bam! Wat een plaat! Die doet in niks denken aan Dummy, het geluid is veel harder, gitaar-georiënteerd en krautrock-achtig. Een sensatie, maar een compleet ander verhaal – dus wellicht voor een ander verjaardagsblog ooit.

Meer jarige albums?

Happy birthday, Remain In Light

Een veertigjarig jubileum: op deze dag in 1980 brachten de Talking Heads het album Remain In Light uit. So happy birthday!

Een trommetje: takketak. “HA!”, schreeuwt zanger David Byrne en dan barst de gekte los. Born Under Punches. Syncoperende speedy polyritmes, gitaarwolken, staccato aanslagen op de synthesizer, basstoten. “Blblblbl” doet iemand op de achtergrond, dan schreeuwt weer iemand “IE!”. En het koortje gaat maar door ‘and the heat goes on, and the heat goes on’. Nergens een moment van rust. Het klinkt volledig abstract. Een soort van Afrofunk-machine is losgebarsten en daaroverheen declameert Byrne bizarre teksten. “Take a look at these hands / The hand speaks / The hands of a government man / I’m so thin / All I want is to breathe”. Deze muziek is onaards.
Op het tweede nummer keren we ietsje meer terug naar het New York op het randje van de jaren zeventig en tachtig – de natuurlijke habitat van de Talking Heads, waar ze furore maakten in club CBGB’s. Crosseyed And Painless is ook een afro-machine, maar er zit iets meer funk (en een snufje hiphop) in dan de abstracte voorganger. David Byrne rapt. Over feiten. “Facts don’t do what you want them to.” (Zo actueel weer, opeens.) Maar de teksten zijn even bizar als het vorige nummer, net als de solo’s van gitaar en synths. Of solo’s? Het zijn meer erupties van geluid.
Nog gejaagder wordt het in de laatste track van kant A: The Great Curve. “The world moves on a woman’s hips / The world moves, and it swivels and bops.” Nog ingewikkelder ritmes. Nog meer zang en antwoordzang. Fela Kuti in kwadraat – maar dan met een nerdy witte man als voorganger, een beetje een autist. Ondertussen bouwt de muziek steeds verder op. Zangeressen buitelen over elkaar heen. En ritmes. Alles draait om elkaar heen. Je weet niet meer wie of wat je hoort. Alleen gastgitarist Adrian Belew springt eruit, die behandelt zijn instrument als ware het een elektrische zaag. Is dit voodoo ofzo? Overal hoor je geesten.

Wat horen we hier? Zijn dit de Talking Heads die we kennen van de korte en hoekige new wave-liedjes op platen als More Songs About Buildings And Food? Alleen de dada-achtige, funky fonetische track I Zimbra op de plaat Fear Of Music uit 1979 geeft alvast wat vingerwijzingen voor waar het naartoe gaat. Kort na die plaat verdwijnt David Byrne van de radar. Achteraf blijkt hij met producer Brian Eno te werken aan het project My Life In The Bush Of Ghosts: een album met Afrikaanse en elektronische voodoo-ritmes en muzikaal een blauwdruk voor Remain In Light. Maar dan zonder de stem van David Byrne. In plaats daarvan gebruiken ze ‘gevonden stemmen’, zeg maar de voorlopers van samples. Tv-dominees, Arabische zangers, politici op de radio, duivelsuitdrijvers, het reciteren van de Koran. En zo is de toon gezet. Byrne en Eno (die dan bijna wordt gezien als volwaardig bandlid) halen de andere Talking Heads naar de Bahama’s – plus een aantal top of the bill gastmuzikanten – en het gezelschap gaat jammen. De opnamen daarvan worden door Eno achteraf flink geknipt en geplakt tot Remain In Light zoals ‘ie nu klinkt. Een beetje ontstaan als Bush Of Ghosts, dus, en op zo’n manier lijken de overige Talking Heads (drummer Chris Frantz, bassiste Tina Weymouth en toetsenist Jerry Harrison) de gastmuzikanten op hun eigen plaat. Zeer tot hun ongenoegen, natuurlijk, en ook volkomen onterecht. Zij zijn cruciaal voor Remain In Light.

Er bestaan een paar iconische Talking Heads-nummers. Psycho Killer is er zo een, en Life During Wartime, Slippery People of Road To Nowhere. En kant B van Remain In Light opent met een icoon: Once In A Lifetime. Dus ja, wat moet je daar nog over zeggen. Briljante tekst, briljante opbouw, briljante geluiden. Gaat nooit vervelen. Geniale clip ook, werd grijsgedraaid in de begindagen van MTV.
Als je de lijn vanuit kant A doortrekt, dan begint er iets op te vallen. Met elke track wordt de muziek een beetje rustiger. Houses In Motion is zweverig en spookachtig met fantastische psychedelische, Oosterse trompetpartijen van Jon Hassell en een mompelende David Byrne: “I’m walking a line, I hate to be dreaming in motion / I’m walking a line, just barely enough to be living”.
Seen And Not Seen toont de genialiteit van de Talking Heads-voorman als tekstschrijver nog wat meer. “He would see faces in movies, on TV, in magazines, and in books / He thought that some of these faces might be right for him / And that through the years / By keeping an ideal facial structure fixed in his mind /Or somewhere in the back of his mind / That he might, by force of will / Cause his face to approach those of his ideal / The change would be very subtle/It might take ten years or so/ Gradually his face would change its shape / A more hooked nose / Wider, thinner lips / Beady eyes / A larger forehead.”
En een van de hoogtepunten van het album is het tegelijkertijd mysterieus als melancholisch klinkende Listening Wind – over een basis van gekke, dwarse geluidjes zingt Byrne over een ‘native American’ die zijn land verpest zag worden en hij zint op wraak.
Tot slot is het tempo helemaal gaan liggen bij het donkere, bijna gothic-achtige The Overload, waarvan weleens beweerd wordt dat het een ode is aan Ian Curtis van Joy Division.

Er zitten zoveel aspecten en verhalen aan deze plaat, maar er is ook al zoveel over gezegd en geschreven. Zoveel gedocumenteerd ook, dat ik het op deze plek laat bij wat romantische bespiegelingen. Mijn eindconclusie? Dat het sindsdien nooit meer echt goed is gekomen tussen Byrne en de andere Heads – ondanks nog jaren van briljante platen en tournees – nemen we maar voor lief. Remain In Light is een van de beste platen ooit gemaakt. Tijdschrift Rolling Stone omschrijft het album in 1980 al treffend: “scary, funny music to which you can dance and think, think and dance, dance and think, ad infinitum”.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Hole

Op deze dag in 1984 bracht Scraping Foetus Off The Wheel het album Hole uit. So happy birthday!

De wereld stond op zijn kop in 1984. De Wilde Wereld welteverstaan, want zo heette destijds het VPRO-programma op Radio 3 (of was het toen nog Hilversum 3?) dat het waagde om op primetime het nummer I’ll Meet You In Poland Baby van Scraping Foetus Off The Wheel te draaien. Het was na een column van schrijver/dichter annex popjournalist Bart Chabot – destijds niet alleen adept van, maar ook echt wel een beetje de Nederlandse Paul Morley. Wat was er dan zo schokkend? I’ll Meet You In Poland Baby is een soort van fictief tweegesprek tussen Josef Stalin en Adolf Hitler waarin zij de invasie van Polen in 1939 aankondigen. Op zich boeiend, maar op het randje. De goegemeente viel vooral over de samples uit speeches van Hitler, inclusief het Duitse volk dat ‘Heil Hitler! Sieg heil!’ brulde. Tegenwoordig zouden we de rel afdoen met #ophef en de volgende dag weer vergeten zijn, maar in de jaren tachtig etterde deze ‘faux pas’, zoals links Nederland toen vond, nog lang na.

Goeie reclame dus voor Jim Thirlwell, die in die tijd onder allerlei pseudoniemen platen opnam, altijd met het woord Foetus er in (You’ve Got Foetus On Your Breath, Foetus Interruptus, Foetus Über Frisco, Foetus Art Terrorism… de lijst is schier eindeloos). Scraping Foetus Off The Wheel is de onsmakelijkste van het stel, maar wel de naam waaronder hij zijn beste albums de wereld in slingerde: Hole in 1984 en Nail in 1985.

Thirlwell is in 1960 geboren in Australië, maar hij wist niet hoe snel hij naar Londen moest vertrekken. Eerst om er te studeren aan de kunstacademie, later om naam te maken als muzikant en producer. Daarna vestigde hij zich in New York. Thirlwell werkte in de loop der jaren met onder andere Nine Inch Nails, Marc Almond, Coil, Front 242, Nick Cave, The The, Sonic Youth, Red Hot Chili Peppers, Zola Jesus, Marilyn Manson en natuurlijk kunstenares Lydia Lunch met wie hij een jarenlange affaire had. Het zegt wel wat over in welke hoek hij opereert of opereerde: shockerende, duistere postpunk, industrial en no-wave. Vanaf 1983 kreeg hij via het label Some Bizarre beschikking over studiotijd in Londen om zich in zijn eentje helemaal uit te leven op allerlei state-of-the-art elektronica. Het werden ADHD-achtige explosies: nachtenlange uitputtingsslagen vol drank, drugs en heel heel veel sigaretten. Als eerste kwam daar de schijf Hole uit gerold – waarvoor de manische Thirlwell ook nog eens al het artwork deed; dat werd een soort kruising tussen communistische en nationaalsocialistische propaganda, geheel in stijl volledig uitgevoerd in de kleuren zwart, rood en wit.

Dat manische, ADHD-achtige is goed terug te horen in de muziek. Foetus stapelt laag op laag, ritme op ritme en plakt alles vol met koortjes, loopjes en gekke hooks. Daarover heen schreeuwzingt hij zijn bizarre teksten. Hij zet een batterij aan elektronica in, samples en soundeffects, maar ook allerlei percussie en staalplaten. Het is een gekke mix van noise, industrial, musique concrète, psychobilly (geen idee wat dat allemaal is? ga maar googlen), new wave en funk – vol met corny citaten uit de hele popgeschiedenis (doowop-samples uit Wipeout van Beach Boys of Surfin’Bird van de Trashmen bijvoorbeeld, de tune van de tv-serie Batman wordt geciteerd, Dylan’s Knocking On Heaven’s Door en Immigrant Song van Led Zeppelin, maar ook stukjes uit de slashermovie Evil Dead en jaren veertig-horrorfilms). Op Foetus’ eerste platen (Deaf en Ache) klonk dit recept nog klungelig, maar op Hole komt het voor het eerst tot volle wasdom. De plaat heeft een geweldig geluid.

Gezien de shockerende naam en hoes, zou je enkel loodzware, horrorachtige hel en verdoemenis verwachten op Hole. Zonder enige lucht. Maar bij Thirlwell valt juist veel te lachen. De teksten zijn een continue stroom van grappen en woordgrappen (‘North, south, Mae West’. ‘The inscription on my tombstone reads: Wish You Were Here’. ‘Crucifixion is my addiction’. ‘This isn’t the melody that lingers on, it’s the malady that malingers on’. ‘The SNOT-GREEN sea – the SCROTUM-TIGHTENING sea’. Enzovoort enzoverder… Hans Dorrestijn is er niks bij.) Jim Thirlwell zingt een parodie op Iggy Pop: diens Lust For Life wordt hier – natuurlijk – Lust For Death, en Foetus parodieert zijn jeugdvriend Nick Cave heel raak in het nummer Sick Man. Er zijn bizarre verbasteringen van de teksten van Arthur Rimbaud of James Joyce (godslastering voor would-be intellectuelen)… En laten we wel zijn, eigenlijk is I’ll Meet You In Poland Baby gewoon een morbide, zwartgallige jaren tachtig-variant op The Great Dictator van Charlie Chaplin!

Hole is als een drukke kermis, waarop bij elke nanoseconde wel iets valt te ontdekken. Dan weer vies of sleazy, eng of bloedstollend, dan weer tongue-in-chique of lachwekkend. De muziek is soms oorverdovend hard met galmende olievaten, soms swingend en jazzy met bizarre surfgitaartjes of kekke koortjes. En telkens weer is er die schreeuwstem van de geperverteerde hardrock-halfgod Jim Foetus, want dat is het image dat hij cultiveerde in die Londense en New Yorkse jaren. Hole is een overdonderende ervaring, iedere keer dat je de plaat hoort.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Dear Science

Op deze dag in 2008 bracht TV On The Radio het album Dear Science uit. So happy birthday!

Als er iemand was die nooit zijn mojo kwijt raakte, dan was het wel David Bowie. Zelfs tijdens zijn jarenlange retraite na een hartinfarct bleef hij ons verbazen door te wijzen op de nieuwste coolste bands. We hoorden Bowie in 2006 op grootse wijze meezingen met het nummer Province, en zo leerden we Return To Cookie Mountain kennen, de tweede plaat van TV On The Radio uit Brooklyn NY. Hun opvolger, Dear Science uit 2008, is nóg beter.

De terugkeer naar de koekjesberg was als album een beetje een gelaagd, surrealistisch moeras, terwijl de open brief aan de wetenschap juist kristalhelder klinkt. Open en poppy, maar niet minder avant-garde. En niet minder diepgaand of geëngageerd. De plaat uit 2008 is uit het (anti)Bush-tijdperk en de kredietcrisis, en dat hoor je. De wereld gaat naar de klote en de multiculti-band TV On The Radio (TVOTR) zingt over racisme, geweld, oorlog, zelfdestructie en dood. Zoals in Red Dress: “Fuck your war! ‘Cause I’m fat and in love. And no bombs are fallin’on me for sure, but I’m scared to death that I’m living a life not worth dying for.” TVOTR kan ronduit cynisch zijn: “Congratulations on the mess you’ve made of things”, zingt Tunde Adebimpe in DLZ – dat trouwens dienst deed als soundtrack in het tweede seizoen van de Netflix-serie Breaking Bad. Het is lekker vrolijk allemaal bij TVOTR (not), maar soms gaat het ook gewoon recht-op-en-neer over neuken: “I’m gonna take you, I’m gonna shake you, I’m gonna make you cum”. Hoogtepunten op het album zijn het meeslepende Family Tree, een psychedelische pianoballad met strijkorkest, het superfunky Golden Age, het bizarre en melancholische Stork & Owl dat nog het meest doet denken aan Cookie Mountain. Je kunt je er helemaal in verliezen.

Het leuke van Dear Science is: het album luistert als een omgevallen platenkast waarin heel veel van mijn favorieten stonden. Oud en nieuw. Zo hoor je er de Berlijnse trilogie van David Bowie (Low“Heroes”Lodger) in, maar ook de thin white duke (Young Americans). Je vindt Remain In Light en Speaking In Tongues van de Talking Heads terug, The Head On The Door van de Cure, Joy Division, de Slits, LCD Soundsystem, Burial, Sly & The Family Stone, Bob Dylan (A Hard Rain’s Gonna Fall in Shout Me Out) en flarden Culture Club, Gary Numan en Utravox. Opener Halfway haalt in zijn ba-ba-ba-la-la-la’s de Beach Boys naar boven, maar vooral Surfin’ Bird van sixties garagepunkers de Trashmen. Een van de twee frontmannen, Tunde Adebimpe of Kyp Malone, ik weet niet zo goed welke, zingt soms als Peter Gabriel. De productie doet in al zijn grootsheid denken aan Trevor Horn (jeweetwel van ABC en Frankie Goes To Hollywood). Je hoort in Dear Science vooral heel veel en heel vaak het album Sign O’ The Times van Prince terug. Wat lekker! En er is Radiohead meets James Brown… TV On The Radiohead, hahaha. In 2002 maakten Tunde Adebimpe en Kyp Malone trouwens al een demo met als titel OK Calculator.

Daarna volgden de officiële albums Desperate Youth, Bloodthirsty Babes in 2004 en Cookie Mountain in 2006, met naast Adebimpe en Malone ook multi-instrumentalist/producer David Andrew Sitek, drummer/percussionist Jaleel Bunton en de inmiddels overleden basgitarist/toetsenist Gerard Smith in de gelederen. Dear Science is een soort van afsluiter van de trilogie, een eindpunt voor TVOTR lijkt het ook wel. Er volgden in 2011 en 2014 nog twee albums, Nine Types Of Light en Seeds, maar die waren al niet zo spectaculair meer. En sindsdien hebben we niet veel tv meer op de radio gehoord. Misschien hebben ze met Dear Science al hun kruit verschoten, zo eclectisch en toch zo één geheel. Dat hebben we zelden gehoord. De plaat klinkt anno 2008 als de toekomst van popmuziek en dat doet het eigenlijk nog steeds.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Hounds Of Love

Op deze dag in 1985 bracht Kate Bush het album Hounds Of Love uit. So happy birthday!

Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig had Kate Bush de wereld al een aantal keren knock out geslagen met hits als Wuthering Heights, The Man With The Child In His Eyes, Babooshka en Army Dreamers en een reeks intelligente albums die steeds geavanceerder gingen klinken. En toen ging het fout. De muzikante leek zich in 1982 te vergalopperen met het album The Dreaming. Het was alsof de techniek – met name de Fairlight CMI, de eerste peperdure samplesynthesizer – een loopje met haar nam. Het album is intens en heftig, maar ook stuurloos en onevenwichtig en het publiek kon haar bizarre elektronische gedachtenspinsels niet helemaal volgen. De plaat werd een flop. Maar Kate Bush zou Kate Bush niet zijn als ze het daarbij zou laten en weer zou terug naar de romantische pop (ikzegditkortdoordebocht) van haar begindagen. Nee, ze trok zich terug met haar partner in een 17-eeuwse boerderij op het Engelse platteland om daar een hightech studio te bouwen rondom die Fairlight, die destijds nog de prijs had van een kleine villa. En ze liet de ideeën rijpen…

Zo’n drie jaar later was daar dan opeens Hounds Of Love. Die bestaat – een beetje à la Low van David Bowie of Night And Day van Joe Jackson – uit twee delen. Kant A is de Hounds Of Love-kant, vijf uiterst toegankelijke en uiterst knappe popsongs, die bijna allemaal een hit werden. Vooral de opener Running up That Hill (A Deal With God) en het laatste nummer van die plaatkant, Cloudbusting, zijn iconische nummers voor de jaren tachtig. Running Up That Hill, met die hypnotiserende synthklanken, dat dwingende ritme (van big drums, zoals in de jaren tachtig in de mode was dankzij Peter Gabriel en Phil Collins) en die gemanipuleerde genderbender stemmen op het einde, en Cloudbusting met die fascinerende cello’s van het Medicci Sextet. Daartussen hoor je nog ‘vintage Kate Bush’ op piano in het prachtige Mother Stands For Comfort, harde Linn-drum-klappen in Hounds Of Love en The Big Sky met grootse zangpartijen. Eigenlijk is alles groot(s) en luid aan dit eerste deel van de plaat, maar zeker niet plat of ongenuanceerd. Integendeel. Het heeft eerder iets pastoraals, bucolisch. Kate verklankt het platteland en haar kindertijd. De muziek – hoe elektronisch ook – klinkt heel natuurlijk, als wolkenluchten, groene heuvels, bomen, koele meren.

Van de koele meren des doods? Deel twee van de plaat heet The Ninth Wave en de zeven aaneengeregen nummers vertellen een bijna Edgar Allan Poe-achtig griezelverhaal: een nachtmerrie over een vrouw die verdrinkt of onder het ijs raakt, wegzakt en uiteindelijk weer op aarde belandt. De muziek is soms net zo spookachtig. Kate Bush weet onaardse klanken uit de Fairflight te toveren – als audiohallucinaties: stotterend, spookachtig en fragmentarisch – maar zet ook Ierse ‘Riverdance’-fiddlers in, een bouzouki, fluiten en een gregoriaans koor (het stuk Tsintskaro uitgevoerd door de Richard Hickox Singers). Er is radiocontact met een vliegtuig, we horen teksten uit de Britse horrorfilm Night Of The Demon, maar ook allerhande vogels, oceaangolven, drones. Kate klinkt hier als een kakafonie. En dan haar stem! Soms zingt ze hemelhoog zuiver, soms hekserig als Siouxsie Sioux van Siouxsie and the Banshees en soms produceert ze grunts waar een gemiddelde death-metal-zanger jaloers op zou zijn. Eigenlijk is The Ninth Wave als The Dreaming in het kwadraat, maar waar die warrig was, is dit een logisch verhaal – voorzover dat bij Kate Bush mogelijk is. En dan, na alle donkere emoties, eindigt ze met het hoopvolle Morning Fog, een ochtendzon die door de mistflarden heen schijnt. De vrouw is ontwaakt uit haar boze droom.

Hounds Of Love is een werk in het rijtje typisch Engelse pastorale pop, waar je ook Talk Talk, Peter Gabriel en David Sylvian vindt. Maar er is meer aan de hand. Met alle toen up-to-date technische foefjes geïntegreerd in spannende songs is Hounds Of Love een beetje als de Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band van de jaren tachtig. Bush experimenteert er net zo lustig op los als de Beatles destijds – alleen is zij een digitale pionier. De plaat is van net zo’n grote invloed als het Beatles-epos. Zonder Hounds Of Love geen Tori Amos of St. Vincent, geen Florence and the Machine of ANOHNI. En Futureheads en Coldplay sampelen en coveren werk van het album. Hounds Of Love is Kate Bush’ artistieke en commerciële hoogtepunt en een revanche waarvan ze na The Dreaming niet had durven dromen.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Soundtrack From Twin Peaks

Een dertigjarig jubileum: op deze dag in 1990 bracht Angelo Badalementi de soundtrack bij de tv-serie Twin Peaks op album uit. So happy birthday!

Kun je je nog herinneren? Die vogel op een tak? … Die zaagfabriek en die slijptollen? … De letters in dat wereldberoemde groene lettertype? … Die weg die de bergen in gaat? … En weet je nog dat bord ernaast? ‘Welcome to Twin Peaks’… Die waterval… Dat langzaam stromend water… Het intro van de tv-serie Twin Peaks is net zo iconisch en Amerikaans als Nighthawks van Edward Hopper of Andy Warhol’s Campbell’s Soup of Marilyn Monroe.
Maar het meest iconisch is misschien wel die muziek eronder, die ijle elektronische klanken die langzaam opbouwen en vooral die rustige, diepe bas. (Eigenlijk was het helemaal geen bas-‘twang’, die je hoort, maar een Emulator II-synth.) De intromuziek van Twin Peaks – en eigenlijk de hele soundtrack – is componist Angelo Badalementi’s finest hour. Zo subtiel. Zo ‘creepy’ en tegelijk zo wonderschoon.

Regisseur David Lynch is altijd gefascineerd door suggestieve muziek en geluiden. Dat hoorde je al in die rare debuutfilm, Eraserhead. Hij kende het werk van de – nu 83-jarige – Angelo Badalementi al. Badalementi maakte de soundtrack van de beklemmende film Blue Velvet en de bizarre road-movie Wild At Heart van David Lynch. (En daarna nog een paar missers als A Nightmare On Elm Street 3 en National Lampoon’s Christmas Vacation, maar dat terzijde.) De regisseur en de componist waren wel op elkaar ingespeeld en dat hoor je. Voor David Lynch staat alles met elkaar in verband, beeld, verhaal en muziek. Dat ontstaat niet lineair. Angelo Badalementi kreeg niet de rushes om vervolgens te gaan schrijven. Nee, hij moest van Lynch ‘ins Blaue hinein’ componeren. Zo ontstaan de prachtigste dingen, aldus Lynch. En dat klopt. Hij vertelde Badalementi zich in te beelden dat die alleen was in een donker bos. De wind ritselt zacht en hij hoort een uil. Zo begon de componist aan een lang en laag motief. Gloomy. “Ga langzamer, ga langzamer”, vroeg David Lynch, en hij vertelde de componist over een tienermeisje dat in paniek, met de dood in de ogen, uit het bos komt. Langzaam strompelt ze dichterbij. En zo kwam Badalementi met een steeds hoger klimmende piano en synthesizer. Tot etherische hoogte. En dan wordt de muziek weer donker, het bos sluit zich weer. Voilà, de ontstaansgeschiedenis van Laura Palmer’s Theme, het tweede hoogtepunt van het soundtrackalbum. De oplettende – muzikaal geschoolde – luisteraar zal het horen: in de serie botsen verschillende werelden en dat hoor je in deze twee stukken. Waar de Twin Peaks Theme vooral wordt gespeeld op de witte toetsen, klinken in Laura’s Theme vooral de zwarte.

Het derde hoogtepunt is het nummer Into The Night, de ijle dromerige pop, esoterisch hoog ingezongen door zangeres Julee Cruise. Cruise was destijds avantgarde-zangeres en deed kunstzinnige projecten met Badalementi. In de serie is zij als nachtclubzangeres te zien in The Road House. Op het album zingt zij ook nog Falling, de Twin Peaks-opening-tune maar dan met tekst. (Ik ben gek op Julee Cruise en haar stem, maar de instrumentale Twin Peaks-opener heeft om sentimental reasons toch mijn voorkeur.)

De hele soundtrack bestaat uit een soort van elektronisch vormgegeven combinatie van jaren tachtig popmuziek, jaren negentig-dreampop, ambient, en soapopera-soundtrack met jaren vijftig-genres als cool jazz en teenybop. Zo ontstaat een soort van surrealistische tijdloosheid, die heel goed bij de serie past. (Om je een indruk te geven: dit is muziek uit de tijd dat ik en mijn vrienden veel blowden. Op een gegeven moment draaiden we de 45-toeren single La Vie En Rose van Grace Jones op 33 toeren. Dat klonk zo wonderlijk, maar nog steeds nachtclub-achtig, dat het prima tussen dit werk van Badalementi zou passen, daar waren we van overtuigd.) Soms is de muziek bijna een parodie, zoals de Love Theme From Twin Peaks dat bij elke liefdesscène werd ingezet en enorm zoet en over de top klinkt. Heerlijk! Een stuk als Audrey’s Dance – dat de scènes met de goddelijke Sherilyn Fenn begeleidde – is grappig en sensueel tegelijk. Als een onbeholpen, jaren zestig tiener femme fatale – en zo dus eigenlijk beter dan welke Mad Men-muziek dan ook. The Bookhouse Boys klinkt chaotisch, vol echo en distortion als in een drugswaas. En Dance Of The Dream Man klinkt letterlijk alsof het uit een parallelle droomwereld komt, maar dan in een jasje van jaren veertig jazz en vingerknippen. Je ziet (en hoort) zo die achteruit pratende dwerg voor je.

Door de enorme hype van de serie, begin jaren negentig, verkocht de soundtrack ook als een malle. En Laura’s Theme gaf meteen de carrière van Moby een vliegende start, want hij mocht het samplen op zijn clubhit Go. Maar de muzikale symbiose tussen David Lynch en Angelo Badalementi had zijn hoogtepunt bereikt. Er kwam nog een tweede serie Twin Peaks en de film Fire Walk With Me en heeeel veel jaren later (2017) nog een derde serie, en telkens werkte de componist ijverig mee. Alleen, de nieuwigheid leek er een beetje af. De vogel had gefloten. Het meisje had gedanst. De zangeres gezongen.

Maar van de magie van die Emulator II-bas, hè, daarvan kunnen we geen genoeg krijgen. Dus kom maar op met weer die waterval en die rivier en die groene letters.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Halber Mensch

Op deze dag in 1985 brachten Einstürzende Neubauten het album Halber Mensch uit. Also, herzliche Glückwünsche!

Er was een tijd – begin jaren tachtig – dat Einstürzende Neubauten hun naam eer aandeden. Gebouwen werden gesloopt. Muziek werd gemaakt met drilboren, pneumatische hamers, cirkelzagen. Er werd geramd op olievaten. En anders deden bas- en gitaarfeedback de concerthallen letterlijk en figuurlijk op hun grondvesten trillen. Dingen werden stuk gegooid. En daaroverheen schreeuwde de zanger over De Nieuwe Zon (die meer brand als dat ‘ie licht geeft), kinderhospitalen, koude sterren en het in brand steken van steden. Het was meedogenloos hard. De anarchistisch industriële unit uit Berlijn – ze noemden zich het sonische equivalent van de Baader Meinhof Gruppe – bracht platen en cassettes uit met veelzeggende titels als Stahlmusik en Kollaps en maakte nummers met fijne titels als Negativ Nein, Tanz Debil, Draußen Ist Feindlich, Schmerzen Hören en Abstieg Und Zerfall. Hun namen? F.M. Einheit, N.U. Unruh, Alexander Hacke, Mark Chung en Blixa Bargeld. Aangenaam.

En nu? Nu zijn de heren bedaagde zestigers die melancholisch zingen over de stad van hun jeugd. De gekke percussie is nog niet verdwenen, maar nu klinken er subtiele ritmepatronen. De harde rauwe lelijkheid heeft plaatsgemaakt voor herfstige rustige liederen. Voor een bepaald soort berusting, luister maar eens naar het onlangs verschenen album Alles Im Allen. Je zal niet teleurgesteld worden, maar het is andere koek dan die onorthodoxe industriële noise en anti-pop van vroeger.

Ergens tussen die twee uitersten bevindt zich het in 1985 verschenen album Halber Mensch, opgenomen in de legendarische Berlijnse Hansa Tonstudios (bekend van onder andere Low en “Heroes” van David Bowie). Halber Mensch was misschien wel de eerste handreiking naar het grote publiek, want Einstürzende Neubauten huurden topproducer Gareth Jones (van onder andere Depeche Mode) in en trokken een nummer van Nancy Sinatra en Lee Hazlewood uit de kast: Sand. Ze toverden opeens met dancebeats en electronic body music avant la lettre, in nummers als Yü-Gung (Fütter Mein Ego) en ZNS. En… ze lieten zowaar iets van humor horen, al is die gedrenkt in alcohol (Trinklied) of cocaïne (wederom Yü-Gung). Frontman Blixa Bargeld omschreef de plaat destijds als ‘an album with lovesongs’, en er zit onomstotelijk iets romantisch in veel nummers. Maar liefdesliedjes? In Der Tod Ist Ein Dandy zingt Blixa een soort van gothic novel over een onderlaag van pure noise en staalplaten. De dood op een wit paard, het zou kitscherig kunnen zijn – als het nummer niet zo’n pijn deed aan je oren (niet voor niets zingt Bargeld: ‘This was made to end all parties’). Nog iets meer negentiende eeuwse Duitse romantiek hoor je in het nummer Sehnsucht, de titel zegt het al, met als begeleiding kettinggekletter, metaalgeschaaf, glasgerinkel en Mark Chung’s stuwende bas. Beklemmend en theatraal is Seele Brennt, waarin Blixa Bargeld dan weer fluistert dan weer schreeuwt – ergens in de stilte tussen metaalklappen en pianopatronen. Een beetje eng, horror-achtig. In afsluiter Letztes Biest (Am Himmel) is hij een melancholieke zon: “Geh auf in Ost / Der Osten ist rot / Und im Westen unter/ Ich bin das letzte Biest am Himmel / Die letzte Bestie am Firmament / Halt mich fest / Halt mich fest In der Morgendämmerung“. Prachtig.

De plaat is de schakel tussen de harde klappen van de Neubauten-begindagen en de subtiele ritmepatronen die de heren vanaf de jaren negentig gingen produceren. Dat is te horen aan de ‘dancetracks’, als je ze zo zou kunnen noemen, maar ook aan het titelnummer waarmee de plaat opent. Het is een a-capella werk van een vrouwenkoor en wat mannenstemmen die ietwat elektronisch worden vervormd. Een fascinerend nummer, maar ook een verrassende binnenkomer. ‘Wat doen ze nu?’, hoor je de punkers van destijds denken. Ze moeten even doorbijten en dan worden ze beloond.

Dat is typisch voor de Einstürzenden. Je moet altijd even doorbijten. Dan ontdek je grootsheid en schoonheid. Dat geldt zowel voor het anarcho-gebeuk van de begindagen als voor het oudemannengekeuvel (positief bedoeld!) van nu. En dat gaat – kijk maar naar de hoes – misschien nog wel het meest op voor Halber Mensch uit 1985.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Another Green World

Op deze dag in 1975 bracht Brian Eno het album Another Green World uit. So happy birthday!

Niet gelogen. In de jaren zeventig waren er graffitispuiters die ‘Eno = God’ op de muren schreven. En dat klopte ook wel een beetje, zowel terugkijkend als met vooruitziende blik. Denk maar aan zijn werk voor Roxy Music als weirde glamrock-toetsenist, later als uitvinder van ambient music, als maker van abstracte elektronische museummuziek bij video-installaties, als geluidsbeeldhouwer voor de beste platen van de groten der aarde (Unforgettable Fire van U2, Remain In Light van Talking Heads, Viva La Vida van Coldplay en vooral Low en “Heroes” van David Bowie), als bedenker van melancholische filmmuziek bij niet bestaande films én als briljant liedjesschrijver samen met bijvoorbeeld John Cale, David Byrne of Karl Hyde van Underworld. Altijd was en is Brian Eno briljant. En nou is Another Green World misschien niet zijn beste plaat – al zeggen veel recensenten en collega-muzikanten (Prince en Yello bijvoorbeeld) dat – het is wél de plaat waarop fragmenten van al die aspecten van Eno’s carrière te horen zijn. Alsof in precies veertig minuten een blauwdruk van God is te beluisteren. Sommige recensenten zien de plaat dn ook als een Steen van Rosetta voor de moderne muziek, zonder welke er geen Sigur Rós zou zijn of Mogwai, of Animal Collective en Grizzly Bear, geen LCD Soundsystem of Alt-J.

De sfeer van de plaat, de hoes en de titel, het doet allemaal erg denken aan die typische science fiction-boekjes uit de jaren zeventig. Ouderen kennen die nog wel uit de zwarte beertjes-reeks van Bruna, met schrijvers als Robert A. Heinlein, Philip K. Dick en vooral Isaac Asimov. Het bleek dat Eno daar inderdaad door geïnspireerd was, zo vertelt hij in 1975 aan muziekblad NME: “I read a science fiction story a long time ago where these people are exploring space an they finally find this habitable planet. It turns out to be identical to Earth in every detail. And I thought that was the supreme irony: that they’d originally left to find something better and arrived in the end – which was actually the same place. Which is how I feel about myself. I’m always trying to project myself at a tangent and always seem eventually to arrive at the same place.” En passant verklaart Eno hiermee zijn experimenteerdrang, die op Another Green World goed is te horen. Tekenend is dat Eno in hetzelfde jaar de plaat Discreet Music uitbracht, vol lange stukken met zachte elektronische klanken die niet op de voorgrond treden – een iconisch en indrukwekkend album: de officiële eerste ambient-plaat uit Eno’s oeuvre.

Op een of andere manier wordt Another Green World gerekend tot het rijtje van vier ‘vocale platen’ die volgden op zijn vertrek uit Roxy Music. Anderen hebben prachtige titels als Taking Tiger Mountain By Strategy, Here Come The Warm Jets en Before And After Science. Maar op Another Green World zijn maar vijf van de veertien nummers gezongen. De veelal instrumentale stukken worden volgespeeld door vrienden van Eno uit de ‘superbands’ van de jaren zestig en zeventig: drummer Phil ‘Against All Odds‘ Collins uit Genesis, Percy Jones uit Soft Machine, gitarist Robert Fripp uit King Crimson en violist John Cale uit Velvet Underground. Zelf speelt Eno instrumenten met zelfbedachte namen als ‘snake guitar’, ‘prepared piano’, ‘uncertain piano’, ‘anchor bass’, ‘choppy organs’ of ‘spasmodic percussion’. De nummers zijn kort en fragmentarisch. Snapshots bijna. Van verlaten stranden, herfstbossen, sterrenhemelen, wolkenluchten, ruimteschepen, hagedissen… Alles is rustig en elegant, very English ook. De muziek is niet vrolijk of treurig, heeft schijnbaar niet zoveel van doen met menselijke emoties. En tegelijkertijd juist weer wel. De fragmenten bevatten telkens iets melancholisch en klinken onaards mooi (weer science fiction-achtig). Soms hoor je minimal music, soms jazz, krautrock of ‘kosmische musik’, folk, art-rock, electronica. Sky Saw heeft een soort drone. St. Elmo’s Fire bevat een vreemd uitbundige gitaarsolo (van Fripp). Het zachte Zawinul/Lava klinkt letterlijk als het begin van Discreet Music – zelfde piano, zelfde tonen. Het rustig industriële The Big Ship is al als soundtrack gebruikt voor verschillende science fiction-films. De percussie op Sombre Reptiles klinkt duister als het duisterste werk van de Residents. Everything Merges With The Night is zo’n mooi voorbeeld van Brian Eno’s vakmanschap als songschrijver – en als zanger, trouwens. Little Fishes is doorzichtige schoonheid met rinkelende waterbellen. Becalmed klinkt als een eenzame zonsondergang op een lichtroze strand. En de titeltrack, die is zo mooi. Je zou willen dat ‘ie eeuwig door zou gaan. (Maar hij duurt op de kop af maar 101 seconden, inclusief een ‘fade in’ van bijna 20 seconden – gelukkig is op YouTube iemand zo slim geweest om ‘m tot in ieder geval 10 minuten te rekken.)

Dit album is prachtig en veelzijdig. Onvoorstelbaar dat Eno de studio in dook met helemaal niks, zelfs geen clou van wat hij wilde. Hij ging op reis en op zoek – aan de hand van een set kaarten met Oblique Strategies. Om weer uit te komen op dezelfde plaats. Hier. Nog een groene wereld.

Meer jarige platen?

Happy birthday, The Miseducation Of Lauryn Hill

Op deze dag in 1998 bracht Lauryn Hill het album The Miseducation Of Lauryn Hill uit. So happy birthday!

Wat een geweldige plaat maakten de Fugees in 1996 met The Score! Maar de soloplaat van Fugees-zangeres Lauryn Hill was nog veel beter! Ze liet haar lover en mede-‘vluchteling’ – die ene dominante – Wyclef Jean totaal in de schaduw staan. Maar wie ben ik om dat te vinden? Laat ‘ze’ het zelf maar zeggen. Ik bedoel: Lauryn Hill, haar vriend Rohan Marley (de zoon van Bob, ja), haar producers en (gast)muzikanten en misschien ook wel Wyclef kunnen het beste het verhaal vertellen over die wereldplaat, de loer die Lauryn ze later draaide en waarom we nu niets meer van haar horen. Let’s go.

Laten we dan maar beginnen met de dirt: Wyclef Jean. In zijn boek Purpose beweert hij dat Lauryn Hill hem wilde doen geloven dat het kind dat ze droeg van hem was en niet van de echte vader Rohan Marley. Het ging om het kind dat later Zion zou gaan heten. “Toen ik er achter kwam, is er iets geknakt tussen Lauryn en mij”, schrijft Wyclef. “Ik was getrouwd en Lauryn en ik hadden een affaire, maar ze liet me geloven dat het kind van mij was en dat kon ik haar niet vergeven. Ze kon mijn muse niet meer zijn, de magie van onze liefde was gebroken.” Dat zou het einde van de Fugees hebben betekend. Zelf zag Lauryn Hill dat anders destijds. Ze liep al veel langer met plannen voor een soloplaat rond, maar eerst waren die andere Fugees ‘aan de beurt’, aldus Hill. In 1998 was het eindelijk zover. “Ze was zo gewend ideeën te voetballen met Wyclef en Fugees-producer Jerry Wonder, dat alleen werken best eenzaam was”, zegt producer Jayson Jackson. Ze wilde niet tien Killing Me Softly’s maken, het moest totaal anders worden. Meer impact hebben ook, als de betere reggae. Ze wilde dat alles vuig zou klinken, rauw, een ‘dikke sound’ als een oude krassende plaat, maar tegelijk modern. Lauryn Hill: “Ik groeide op met de oude soulplaten waar mijn ouders naar luisterden, Aretha Franklin, Stevie Wonder, en de hiphop die ik om me heen hoorde, Eric B & Rakim. Die generatiekloof wilde ik met mijn muziek overbruggen.”

Een ruige getto-plaat werd het, en dat kwam de steenrijke Lauryn Hill best op kritiek te staan. Wat zij weer onzin vond: “Het is belachelijk om te denken dat je alleen als straatarm zwarte bevlogen muziek kan maken. Mijn ervaringen en mijn leven zijn niks meer en niks minder.” Want het getto is niet een plaats, maar een state-of-mind.
Die plaat dus. Er lagen nog wat nummers op de plank, zoals Ex Factor, geschreven voor de gelijknamige damesgroep. En de hoogzwangere Hill zong liggend opnieuw een cover in: het corny Can’t Take My Eyes Off Of You. Over haar kersverse zoon schreef ze het ontroerende nummer To Zion. Haar producers stonden huilend achter de knoppen. “Voor Doo Wop (That Thing) wilde ze iets speels, beetje jaren vijftig-, zestig-achtig”, zegt achtergrondzangeres Lenesha Randolph. “Dus wij springen en zingen, whooo, whoooo, whooo.” Producer Commissioner Gordon zette daar dan nog een stevige hiphop-beat onder, anders werd het te zoetsappig. In Jamaïca nam ze tracks als Forgive Them Father en The Lost Ones op, want volgens haar vriend Rohan werd het in New York te hectisch. Teveel mensen om haar heen. Eenmaal terug kwam D’Angelo meezingen op Nothing Even Matters. “Ze was zo bevlogen. In haar handen werd alles een soort van gospel”, blikt hij terug. Zo ontstond de plaat stapje voor stapje, hoofdstuk voor hoofdstuk. Als een boek. Ze vroeg dichter en leraar Ras Baraka om de hoofdstukken aan elkaar te praten. Baraka: “Dat deed ik als volgt. Ik ging naar mijn klas, schreef met krijt heel groot L-O-V-E op het bord en vroeg de kinderen daarop te reageren. Die discussies zette ik op tape.” De titel van de plaat is een afgeleide van het boek The Miseducation Of The Negro. Lauryn Hill: “Miseducatie is een metafoor voor veel dingen in m’n leven. Geen respect voor mijn leraren. Ik leerde alles buiten de school en misschien wel buiten het betamelijke. Buiten de maatschappelijke standaard.” Het is geen onderdeel van het officiële curriculum, maar het hoort bij iedereens volwassen worden om die mooie plaats van naïviteit en idealisme te verlaten. Dat doet best pijn, stelt Lauryn Hill.

Lange tijd gold het statement dat Lauryn Hill de plaat helemaal in haar eentje schreef, produceerde en arrangeerde – als reactie op haar ondergeschikte rol in de Fugees. Zeg maar hoe Prince ook werkte, maar Hill werd gezien als een bitch. Een diva. “De muziekindustrie is zo seksistisch”, verzuchtte ze. “Mannen houden ervan als je voor ze zingt. Zodra je in control bent, vinden ze het maar niks.” Alleen draafde Lauryn Hill best door in dit idee. Ze schreef haar naam onder nummers die ook van een ander waren en onder werk dat ze helemaal niet deed. The Miseducation Of Lauryn Hill is veel meer een groepsprestatie dan je zou denken – met de zangeres aan het roer, dat wel. Het leidde in 2001 tot een paar nare rechtszaken, aangespannen door haar producers, en Hill haalde uiteindelijk bakzeil. Ach, het doet al met al niks af aan de kwaliteit van de plaat, zo vinden alle partijen nu.

Toch hebben we na dit hoogtepunt niet meer iets wezenlijks van Lauryn Hill mogen vernemen. Waarom niet? Ze koos voor een rustiger bestaan als moeder van vijf kinderen en als dichter/schrijfster. Buiten de spotlights. “Ze zeiden dat ik mijn carrière kapot maakte met die keuzes van me”, zei Lauryn Hill. “Maar ze hadden gewoon dollartekens in hun ogen.” Voor haar was het nodig om deze plaat te maken, en daarmee was het eigenlijk klaar, zo zegt Hill. Maar misschien ooit… solo of misschien nog eens met de Fugees als alles is uitgepraat… Maar misschien ook wel nooit… “Lauryn was iedereens favoriete zangeres”, zegt Commissioner Gordon, “en dat hoor je terug in zoveel zangeressen van nu. Ze heeft de wereld iets moois gegeven. Als dit alles was, dan is het dat. Het is mooi.”

(Ik heb deze blog onder andere samengesteld uit vertaalde quotes uit kranten en tijdschriften die verschenen in 1998, The Irish Times, Daily Record, The Toronto Star, Trouw, De Morgen en een reconstructie van Rolling Stone uit 2008.)

Meer jarige platen?

Happy birthday, Spirit In The Dark

Een vijftigjarig jubileum: op deze dag in 1970 bracht Aretha Franklin het album Spirit In The Dark uit. So happy birthday!

Het is een ernstig geval van tunnelvisie. Wat een armoe. Het – toch echt wel omvangrijke – werk van de Grootste Stem Op Aarde Ooit blijft in het collectieve geheugen hangen door middel van niet meer dan een paar megahits die keer op keer gerecycled worden. Altijd weer Respect, altijd weer Think, altijd weer Natural Woman. Prachtige en belangrijke nummers, hoor, daar niet van. Maar je wordt er zo moe van als ze keer op keer op een verzamel-cd worden gezet, op de zoveelste ‘Ultimate Anthology Greatest Hits Collection Essential Very Best Of The All Time Queen Of Soul’… Zo dreigen heel veel andere belangrijke platen in de vergetelheid te geraken. Dus is het veel interessanter om écht in dat omvangrijke oeuvre te duiken. En op het gevaar af voor snobistisch te worden versleten: Spirit In The Dark is een van haar minst verkochte albums, maar wel een van haar beste! De plaat markeert een periode waarin Aretha Franklin de ultieme mix tussen gloedvolle soul en euforische gospel wist te vervolmaken, en die twee jaar later leidde tot het geweldige optreden dat in 2019 in de bioscopen was te zien – in de film Amazing Grace. Dat heeft niks meer met pop en hits te maken, het zijn kerkelijke soul-seances waarin zangeres, zangers, band en publiek boven zichzelf uitstijgen tot iets… ja, goddelijks.

Die goddelijke splinter zat dus al in Spirit In The Dark, maar daarvoor moest Aretha eerst door een diep dal. Dat maakt de plaat juist zo doorleefd. Dat hoor je in de opener al: Don’t Play That Song. Maar eigenlijk zou je moeten beginnen bij het laatste nummer: Why I Sing The Blues, een cover van BB King. Dat zegt het niet met zoveel woorden, maar schetst wel een beetje de state of mind waarin Aretha Franklin Spirit In The Dark maakte. Net gescheiden van haar gewelddadige echtgenoot (die ook wordt gezien als een soort van ‘Ike’ van Tina Turner), zwanger van haar vierde kind (nadat ze op haar twaalfde voor het eerst zwanger werd), nog aan het bijkomen van de moord op dominee en huisvriend Martin Luther King, altijd omringd door rassenrellen als ze optrad. En speelbal van allerlei showbizz-figuren die haar keihard lieten werken maar niet begrepen waar haar echte kracht lag. Een constante stroom van zo’n twintig albums bracht ze tussen 1961 en 1970 uit. De laatste jaren werd het steeds meer een trucje: Aretha moest dan zwarte, vrouwelijke soul- en gospel-versies maken van witte hits als Let It Be, Eleanor Rigby, Son of A Preacher Man of The Weight. Dat deed ze met verve, maar spannend was anders.
Wat een contrast met deze plaat. De meeste nummers zijn covers, waaronder twee van BB King, een van Carole King (van wie ze eerder Natural Woman opnam) en er staat een oude jazz-standard op (That’s All I Want From You). Vijf songs, waaronder de titeltrack, zijn door Franklin zelf geschreven – en dat zijn niet de minsten! Een zesde nummer schreef ze met haar zus Carolyn (die op jonge leeftijd kwam te overlijden aan borstkanker). Dat laatste nummer, Pullin, is een van de stuwende hoogtepunten van de plaat. De muziek gaat sneller en sneller. Aretha zingt en schreeuwt maar door, klimt hoger en hoger naar de hemel: Harder. Higher. Harder. Higher. Pulling. Moving. Pulling. Harder! Pulling. Higher! Moving. Higher! Higher! Higher! Higher? Yeah. Yeah? Yeah. Go ahead! Higher! Ze is uitgebroken en helemaal vrij.

Waar Sam Cooke de religie steeds meer de rug toekeerde naarmate hij succesvoller werd met ‘sex ’n soul’, weet Aretha Franklin juist balans te houden. Ze laat het hogere en het lagere samen gaan. Een nummer als You And Me bijvoorbeeld, is tegelijkertijd een gloedvol gezongen ode aan de liefde als een gebed aan god. En het nummer Spirit In The Dark dat schudt en bonkt en stuwt, is dat een intreding van de Heilige Geest of gewoon een overweldigend seksueel orgasme? Allebei dus. Of Try Matty’s – dat klinkt als een gelovig pareltje waar gospel-zangeres Mahalia Jackson zich niet voor zou schamen, maar luister je naar de tekst dan hoor je dat het over een barbecue-hut gaat.

Die stem van Aretha Franklin is zo betoverend, daardoor zou je bijna niet horen hoe goed zij ook is op de piano. En juist haar pianospel krijgt veel ruimte op het rauwe, beetje droog geproduceerde Spirit In The Dark. Op zeven van de twaalf songs mag zij lekker loos gaan, en vanachter de toetsen ontpopt ze zich tot een bevlogen bandleider. Ze heeft de hele band in haar zak – en dat zijn overigens niet de minsten: op gitaar hoor je virtuoos Duane Allman, op orgel, drums en bas speelt de beroemde Muscle Shoals Rhythm Section uit Alabama (die ook Wilson Pickett en Percy Sledge bijstonden) en in het koor zingen Almeda Lattimore, Margaret Branch en Aretha Franklin’s nicht Brenda Bryant – met z’n drieën klinken ze als een heel gospelkoor.

Aretha Franklin had geen foute mannen of managers meer nodig. Voor het eerst nam zij het heft in eigen hand. En dan is zij op haar best, zo blijkt uit Spirit In The Dark. Dat betaalde zich in 1970 nog niet uit in klinkende munt. Maar vijftig jaar later valt er nog steeds zoveel te genieten op deze plaat.

Spirit In The Dark, live in Fillmore West, met een gastoptreden van Ray Charles!

Meer jarige platen?