Low – HEY WHAT

Oei, dit was een moeilijke… Geen plaat balanceerde dit jaar zo tussen totale adoratie en volledige verwerping als de nieuwe Low. Voor mij dan. De rest van de wereld was er blijkbaar direct al uit.

Geen mening van muziekliefhebber, Twitteraar of recensent was gematigd. Het leek nog erger dan een coronavaccinatie: de een is pro-Low, met ziel en zaligheid, een ander is extreem tegen – soms op het gewelddadige af. Mensen vinden HEY WHAT een meesterwerk en De Herdefiniëring Van Rockmuziek (ja, met hoofdletters), anderen beschimpen het als een setje musicalliedjes met wat distortion eroverheen. En ik? Ik was een tijdlang sprakeloos. Besluiteloos. Ik heb geluisterd en geluisterd en alle plus- en minpunten onder elkaar gezet. Uiteindelijk sloeg de balans op de meter door naar de plus. Ik vind HEY WHAT nu een wereldplaat. Zal ik je meenemen in mijn overwegingen?

Sloom-core

Een negatieve factor was mijn verleden met Low. Jarenlang had ik helemaal níks met de band uit Duluth Minnesota die al meer dan een kwart eeuw voortpruttelde in een genre waar ik weerzin voor voelde. Low was sinds 1993 de belichaming van de zogenaamde ‘slowcore’. Dat is zeg maar de slaapverwekkende tegenhanger van grunge. Daar had ik an sich ook al niet zoveel mee, maar van sommige grungebands kon je tenminste nog zeggen dat ze energie hadden. Low had dat niet. ‘Sloom-core’ zou een betere benaming zijn voor hun baksels.

In 2018 sloeg dit sentiment 180 graden om! Low – inmiddels geen band meer maar bestaand uit het Mormonenechtpaar Mimi Parker en Alan Sparhawk, aangevuld met producer BJ Burton (bekend van Bon Iver, Lizzo, Taylor Swift en Miley Cyrus) – bracht dat jaar het adembenemende album Double Negative uit. Het werd mijn plaat van het jaar. Wat een stijlbreuk! Weg was het gepruttel en getokkel. Low ging heftig in de weer met white noise, distortion, overstuurde gitaren, glitch en kapotte muziek, Yeezus-beats. Alle meters gingen zwaar in het rood, maar in al dat lawaai klonk een bijna pastorale verstilling door. Kippenvel.

Hoogdravend

Dat brengt mij meteen op de tweede negatieve factor in de verwachtingen rondom hun nieuwe plaat HEY WHAT. Want net zo’n meesterwerk als in 2018 kunnen ze toch niet nog een keer maken? Deze extreme schok is maar één keer mogelijk.

Volgende punt van buikpijn: nog voordat ik de plaat hoorde, las ik de hoogdravende recensies her en der. Het was The Guardian die zonder ironie schreef over ‘a magnificent redefinition of rock music’. ‘Low ontstijgt op het meesterlijke HEY WHAT alles wat lijkt op popmuziek’, schreef Harry Prenger op TPO. HUMO had het over ‘fluwelen mokerslagen’ en Rolling Stone deed een duit in het zakje met ‘this is Low’s victory’. Dan de uitsmijter in de Volkskrant: ‘Met dit album verpulvert Low zo ongeveer alle andere rockmuziek tot nietig vermaak’. Pfff, dan heb je toch al bijna geen zin meer om überhaupt aan de plaat te beginnen?

Overstuurde sludge

Gelukkig heb ik dat wel gedaan, zeg. Het was alleen niet zo’n shock als in 2018. Zoals gezegd: ik wist even niet wat ik er mee aan moest. De plaat begint met industriële chaos en een stotterende ruis-beat. Wow en flutter, kkkkgggg, alles kraakt weer. De bassen gaan weer diep. Verpletterend lawaai. Maar de samenzang van het echtpaar verdwijnt niet in zeeën van kristalruis, zoals op Double Negative. Dat doet het nergens – hoe far out de sonische experimenten ook zijn, Parker en Sparhawk houden je bij de les. Dat maakt deze plaat iets minder mythisch dan de vorige. Buitenaardse schoonheid is er zeker. Maar het is iets minder compromisloos dan voorheen. Het echtpaar lijkt de chaos enigszins te hebben beteugeld. Ik had verwacht – nee, gehoopt – dat Low na Double Negative nóg abstracter wegen in zou slaan. In plaats daarvan laat HEY WHAT een rijker, gevarieerder geluid horen, met iets meer lucht ook. Dat blijkt luisterbeurt na luisterbeurt eigenlijk veel meer te beklijven. (Een Mel Tormé-achtige crooner als Don’t Walk Away zullen we maar vergeten.) Uitschieters zijn nummers als Hey, dat het concept verstilling in lawaai volledig belichaamt, het staccato White Horses, het scheurende Disappearing en vooral uitsmijter The Price You Pay (It Must Be Wearing Off). Na 42 min of meer overweldigende minuten valt opeens een overstuurde sludgetrack in. De muziek wordt slepender en slepender. De noise bouwt steeds verder op. “It must be wearing off”, zingen Parker en Sparhawk in een mantra, alsof het gaat om de bijwerkingen van de drugstrip van de afgelopen drie kwartier. Het lawaai wordt pijnlijk. En dan opeens: ____ De noise stopt. Het is over.

Ik bleef sprakeloos achter. Besluiteloos. De wereld mag meteen een menig klaar hebben, ik was er nog lang niet over uit. Nog steeds niet, misschien. HEY WHAT is een ambivalent album. Een wereldplaat, dat wel.

Alle beste albums van 2021:

Kele – The Waves Pt. 1

Londen in lockdown. 2020. Piccadilly Circus is verlaten. De wind raast over het lege Trafalgar Square. De eekhoorntjes uit Kensington Gardens beklimmen de Royal Albert Hall. Er is geen mens te zien. Vossen sluipen ’s avonds door de straten. Ja, er loopt toch iemand, ergens rond Covent Garden. Het is Kelechukwu Okereke. Kele wandelt iedere avond door de mysterieus stille stad. Hij ziet de eekhoorns en de vossen. Hij hoort niets. Dat hoeft ook niet. Londen is stil. Kele kan helemaal opgaan in zijn eigen muziek die hij eerder die dag heeft opgenomen. Het zijn de hoogstpersoonlijke lockdown-luistersessies waar hij zo van is gaan houden. Pas in 2021 mogen wij ook meeluisteren. Dan verschijnt The Waves Pt. 1.

Minimaal en minimal

Ja, dat is inderdaad de zoveelste lockdown-plaat. Nou en? Hij is geweldig! Kele Okereke is (was?) de frontman van Bloc Party, maar dit is inmiddels zijn vijfde soloalbum. De vorige kwam uit in 2019, heette 2042 en was een nogal bombastische black awareness-rapplaat. Het is een groot contrast met het minimale én minimal geluid van The Waves Pt. 1. Dat is ook wel logisch. Door de corona-opsluiting moest Okereke deze plaat wel alleen maken. Dat deed hij in de vrije uurtjes na de zorg voor zijn baby en zijn peuter. Hij legde laag op laag, samplede gitaarloopjes, herhaling op herhaling, zo ontstonden minimale gitaarklanktapijtjes. Kele speelde soms piano, zong vaak falsetto, maar een aantal nummers zijn instrumentaal. Op de plaat klinkt nauwelijks bas en geen drums. Naar eigen zeggen liet Kele zich inspireren door filmsoundtracks en klassieke muziek. Wat een open deur! Maar als je je open stelt, hoor je na een tijdje wel associaties met Philip Glass, Steve Reich en zelfs met Arvo Pärt en Glenn Branca.

Contrasten

Ondanks die minimale opzet is The Waves Pt. 1 heel divers geworden. Opener Message From The Spirit World klinkt nog best heftig, met scheurende gitaarsamples. They Didn’t See It Coming is een ‘spoken word in bedroom voice’ over rellen in Londen na de moord op George Floyd. Kele ziet mensen dansen in het gebroken glas van winkelruiten en hij ziet de wilde vossen die hem aankijken. Maar het klinkt allemaal een beetje onderkoeld à la Jonathan Richman of Billy Bragg. Best een contrast met het dramatische jaloezienummer dat daarop volgt: The Way We Live Now. “Did you really think that I wouldn’t notice the way you look at him?” schreeuwt Kele uit. De loopjes in How To Beat The Lie Detector zijn juist weer een beetje drollig en onbeholpen. Leuk. Dungeness is een niets-aan-de-hand variatie op Exit Music (For A Film) van Radiohead. De welkome afwisseling op Nineveh is dat Kele zijn gitaar afdoet en zijn effectapparatuur even uitzet. Hij gaat achter de piano gaat zitten voor een hypnotiserend riedeltje. Als daar enige tijd later een Robert Fripp-achtige psychedelisch zwevende gitaar invalt is dat helemaal goed. Buitengewoon aangrijpend is het instrumentele The Patriots. Het is een dreigend nummer waarin je met een beetje fantasie de rechtsextremisten door de straten hoort marcheren met op de achtergrond een aanzwellend onweer. Spooky! Het nummer daarna, Intention, is een soort lieflijke parodie op zelfrealisatiecoachingtherapie ofzoietsofzo, vol vriendelijke minimal gitaarloopjes en daaroverheen een tape van een therapeute die uitlegt geeft over ‘getting positive flow in your life’.

Treurige Bronski

Mijn eerste kennismaking met The Waves Pt. 1 was door het nummer Smalltown Boy. Jawel! Een cover van het Bronski Beat homo-anthem. (RIP Steve Bronski.) Kele heeft alle disco er vakkundig uit gesloopt. Daarvoor in de plaats komen geheimzinnig diepe klanken en een eenzaam gitaarloopje. De hoge falset blijft. Die kan Kele Okereke net zo goed als Jimmy Sommerville. De aanpak legt hele andere aspecten van het treurige nummer bloot. Ga maar luisteren. Ik was meteen verkocht. De plaat eindigt crystal clear en okselfris met The Heart Of The Wave. En dan is er nog een bonusje: Cradle You. Dat is een lief en onbeholpen gitaarliedje voor bij het kampvuur. “It’s time to get up now. It’s time to rise”, zingt Kele dan tot slot.

Het enige dat je je dan nog afvraagt is: waarom heet deze prachtplaat Pt. 1? Wanneer komt er een The Waves deel twee? Wanneer is Londen weer stil en ziet Kele Okereke de vossen opnieuw?

Alle beste albums van 2021:

Loraine James – Reflection

Dit jaar kwam de gezamenlijke reissue van de albums Kid A en Amnesiac uit (onder de welluidende titel Kid Amnesiac), de twee tech-gedreven platen die Radiohead rondom de millenniumwisseling maakte. Het was in die tijd dat Radiohead-frontman Thom Yorke hoog opgaf van Intelligent Dance Music, of IDM, zoals dat toen werd gemaakt door bijvoorbeeld Squarepusher, Aphex Twin en Autechre. Het maakte Yorke in zijn eigen woorden “just as emotional as I’ve ever felt about guitar music”. Dat was, en is anno 2021 nog steeds, een verfrissende uitspraak. IDM wordt vaak gezien als pretentieus, koud, mathematisch en gevoelloos. Muziek voor en door witte nerdy mannen.

Experimenteel

Dat niets minder waar is, had je al kunnen horen rond de eeuwwisseling. En als in 2021 een donkere LHBTQI-vrouw met haar variant op IDM komt, dan verdwijnt die associatie helemaal. Loraine James is een DJ/producer uit Enfield, Noord-Londen. Reflection is haar derde album en haar tweede voor het beroemde Hyperdub-label. Hierop zoekt ze de grenzen van de dansmuziek op – ondanks dat de plaat gemaakt is in haar slaapkamerstudio tijdens de eerste lockdown. Maar Loraine James spreekt niet graag over dans-, urban- of clubmuziek. Nee, naar eigen zeggen maakt zij ‘experimental music’. Dat is goed te horen op Reflection, al is het amalgaam aan IDM, drum ’n bass, drill, R&B, grime, trap, electro en dub nooit ver weg en staat de plaat bol van de gastoptredens uit de Engelse (en Zwitserse) dance-scene, zoals Xzavier Stone uit Zürich, drillrapper Le3 bLACK, emo-producer Baths, zangeres Eden Samara en rapper Iceboy Violet uit Manchester. Het album is loepzuiver geproduceerd en barst van de diepe bassen, ratelende en onvoorspelbare drumbeats, glitchy geluiden en zweverige synthpartijen. Alles klinkt vloeibaar als vroeger, maar er is niks kouds en mathematisch aan Reflection. Nee, de muziek is juist warm en gloomy, breekbaar en emotioneel. En het heeft iets elegants.

Speels

Weet je wat nou ook zo verfrissend is? Het ontbreekt Loraine James op dit album aan elke vorm van pretentie. Illustratief daarvoor is het nummer Self Doubt (Leaving The Club Early), ergens halverwege de plaat. Over een zachte soul-synth komen opeens allerlei videospelletjesgeluiden opzetten, alsof je een game-hal binnenloopt. En dan mompelt James iets als: “Sorry, I know you may not like this one. But it’s just fun, you know. It’s just fun.” Meteen daarna: “I know you might not like this one. So press the skip button.” En later: “Hate the music that I’m playing. That’s why you’re not staying, that’s there’s no dancing.” Net zo speels is het nummer Change. Over een Goldie-achtige beat en wat verdwaalde synthesizers mompelt ze een mantra: “What you gonna do about? What are you gonna do about it? Huh? What? What are you gonna do about it? Technical difficulties. What are you gonna do about it?” Dat is de integrale tekst van het nummer. Loraine James heeft haar mompelstem hier iets omhoog gepitcht, zodat je een effect krijg à la Fever Ray. Het maakt het nummer kinderlijk, maar ook vervreemdend en onaards. Simple Stuff heeft net zo’n bizarre sfeer, ‘Sprechgesang’ en ook zo’n korte tekst: “I like the simple stuff. We like the simple things… but what does that bring to me?” (Dat is het.) Speels, een songtitel als Insecure Behaviour And Fuckery zegt al genoeg. Van een totaal andere orde is titelnummer Reflection, een uitgebreid en aangrijpend spoken-word stuk over COVID en lockdown. De plaat eindigt met een laatste hoogtepunt: We’re Building Something New met een rap van duidelijk aangeslagen Iceboy Violet. Hij rapt over het verdriet van de ‘black community’ na George Floyd en het politiegeweld, en hamert op het belang van zwarte geschiedschrijving.

Loraine James maakte in lockdown een spannende, intrigerende plaat. Geen dansplaat, maar een luisteralbum. Eentje die niet in één vakje is onder te brengen. Eentje die zich niet meteen gewonnen geeft. Je moet er echt een aantal luisterbeurten aan besteden. Maar gold dat destijds niet ook voor Kid A en Amnesiac? Die hebben na twee decennia nog steeds grote impact. Zo zullen we in 2040 ook terugkijken op Reflection.

Alle beste albums van 2021:

Fred Again.. – Actual Life

Een van de grootste danskarakers van 2021 was een track over COVID en lockdown: Marea (We’ve Lost Dancing). Het is een liefdesverklaring van singer-songwriter annex studio-wizkid Fred Again.. en DJ The Blessed Madonna aan het hedonisme van de clubs en de euforie op de dansvloer die zijn gestolen door het virus. De track is dramatisch en melancholisch, maar die beat… die hakt er in!

Geschiedschrijving

Dat geldt net zo voor de twee albums van Fred Again.. die dit jaar verschenen: Actual Life (April 14 – December 17 2020) zag het daglicht in april en Actual Life 2 (February 2 – October 15 2021) kwam onlangs uit. Voor het gemak behandel ik ze hier samen.
Fred Agan.. is Fred Gibson, een 29-jarige producer die dit jaar een grote naam is geworden in de Londense studiowereld. Hij is een protegé van Brian Eno en werkte naast The Blessed Madonna met onder andere FKA Twigs, Ed Sheeran, The xx, Headie One en Stormzy. Maar wat hij doet op de Actual Life-platen is van een heel ander kaliber. Het is recente geschiedschrijving op een housebeat, zoals we dat alleen maar kennen van Terre Thaemlitz/DJ Sprinkles’ Midtown 120 Blues (2008) en For Those I Love (2021) van For Those I Love.

Groovy as fuck

Het begint dus allemaal op 14 april 2020. “It’s Tuesday at 10pm and this is one of the best days of my life”, klinkt een stem. Dat is wrang als je beseft dat op die dag in Engeland 744 mensen zullen doodgaan aan COVID. Die dubbele boodschap blijft op beide platen. Er is hoop, maar ook veel verdriet. Op Actual Life 1 beschrijft Fred Again.. het leven tijdens de lockdown in Londen en op Actual Life 2 verwerkt hij het verdriet na het verlies van zijn vriendin. Daarvoor gebruikt de producer als begeleiding vooral funky deephouse, trance en UK garage. Beats uit de 808 of de 303, bedwelmende bassen en daaroverheen staccato piano en gladde violen. Het klinkt allemaal ‘groovy as fuck’ en superunderground. Vervolgens heeft Fred een scala aan samples, field recordings en getapete gesprekken. Vrienden en vriendinnen zingen en praten. Fred plakt het allemaal vernuftig aan elkaar, zodat het koor aan stemmen een verhaal vertelt. De ‘vertellers’ zijn meteen de songtitels, elke track is gewijd aan één persoon. Zo horen we treffend hoe Julia Michaels verliefd wordt in Julia (Deep Diving). Sabrina viert haar lockdownfeestje in haar eentje in Sabrina (I Am A Party). “I am a party, inside of my head, inside of my home.” En de sample van bouwvakker Carlos – die Fred ontmoette na een Ed Sheeran-concert – komt meerdere malen terug op beide platen en is zo uitgegroeid tot motto van Actual Life: “We gon’ make it through.”

Intensive care

Het emotioneel breekpunt komt halverwege de eerste plaat. Me (Heavy) is de enige track waarin Fred zelf – in de ik-vorm – aan bod komt. Het is een bijna pijnlijk intiem moment. Fred staat naast de intensive care waar zijn vriendin wordt behandeld. (Het wordt nooit precies duidelijk waaraan, maar het zou heel goed corona kunnen zijn.) Fred zingt: “I wanna run in there and steal you out, unplug the wires and kiss your mouth. You don’t need another whiteboard evening. But I need you breathin’.”… En iets later: “I know you’re holding on. I’m so tired of being strong.” En hij eindigt met: “I don’t know a thing that could feel more heavy.” Pfff.

90’s dance

De tweede plaat is meer melancholisch dan euforisch. Die spannende dubbele boodschap is verdwenen. Dat is ook niet zo gek, gezien het thema. Maar er speelt ook een praktisch bezwaar. Vanwege de preventiemaatregelen sprak Fred veel minder mensen. Voor het verzamelen van stemmen was hij opeens aangewezen op internet. Hij haalt interessante dingen naar boven, hoor, zoals dichter-beatboxer Faisal Salah, een cover van Snow Patrol en de 90’s dancetrack Your Loving Arms. Toch lijkt het allemaal – ondanks het onderwerp – net wat minder persoonlijk.

Stomper

Halverwege Actual Life 2 komt er een voorzichtige draai. Op Hannah (The Sun) doet Fred Again.. letterlijk en figuurlijk de gordijnen open en mag het licht weer naar binnen. Er wordt zelfs weer aan de clubs gedacht. En dus ook aan die ene dansvloerstomper waar het allemaal mee begon. The Blessed Madonna eindigde op Marea (We’ve Lost Dancing) met de woorden: “What comes next, will be marvellous.” Kippenvel. We hopen zó erg dat dat waar gaat worden.

Alle beste albums van 2021:

Hannah Peel – Fir Wave

Het nieuwste album van Hannah Peel gaat over natuur, milieu en duurzaamheid. Wat is er duurzamer dan recyclen? Dat geldt ook voor het hergebruiken van geluid. Voor Fir Wave neemt Hannah Peel het werk van vrouwelijke elektronische pioniers als Delia Derbyshire, Daphne Oram en de BBC Radiophonic Workshop uit de jaren zestig en zeventig op de schop. Dat betekent niet samplen, maar écht recyclen. Ze vertaalt de experimentele vroeg-elektronische geluiden naar de 21e eeuw.

Digitale instrumenten

De fragmenten van Derbyshire en de Radiophonic Workshop zijn nauwelijks nog herkenbaar. Delia Derbyshire is nog het meest bekend van de nerdy tune van de eerste BBC-serie Doctor Who uit de jaren zeventig, boomers zullen die nog wel kennen. Maar ze maakte vooral serieuzer werk. Hannah Peel werd door het archieflabel KPM gevraagd om Derbyshire’s album annex geluidenbibliotheek Electrosonic uit 1972 te herbewerken. Eerst weigerde Peel. Alleen maar wat remixen vond ze te makkelijk. Uiteindelijk laadde ze deze en andere geluiden in haar eigen computer en bouwde er nieuwe digitale instrumenten mee. Die gebruikte ze als bouwstenen om iets compleet nieuws te maken – maar dan wel in de geest van de vroeg-experimentele dames. Het is prachtig om te horen hoe toen en nu versmelten tot een organisch geluid.

Indruk op de Beatle

Hannah Peel (die op haarbeurt weer bekend is van de soundtrack bij Game Of Thrones: The Last Watch) is geboren in 1985 in Craigavon, Noord-Ierland. Ze studeerde aan het Liverpool Institute for Performing Arts, waar ze bij haar afstuderen grote indruk maakte op oprichter Paul McCartney – boomers zullen die nog wel kennen van de Beatles. Ze werd DJ op BBC Radio 3 (ze is overigens geen familie van John Peel), speelde in een folkband, deed orkestarrangementen voor Paul Weller en maakte eerder een analoge synth- en casio-plaat over haar heldin Derbyshire. Vorig jaar knutselde ze nog een mini-opera over de lockdown in elkaar.

Abstracte natuur

En in de lockdown rondde ze eindelijk het KPM/Electrosonic-project af. De titel van het album, Fir Wave, komt van een foto die Peel zag in het tijdschrift National Geograhic, van patronen met dennenbomen op een berg. Het zag er precies uit als een sinusgolf en dat is natuurlijk een Pavlov-dingetje voor een elektroakoestisch muzikante. Maar Hannah Peel zag er vooral ook de levenscycli in de natuur in. Geboorte, groei en dood. Het langzaam wisselen van seizoenen. Naast de oude elektronische componistes is beeldhouwster Barbara Hepworth uit Cornwall een inspiratie voor haar. Hepworth maakte abstract werk met aan de natuur ontleende vormen.

Subtiel en melancholisch

Zo’n laatste omschrijving zou ook op kunnen gaan voor de muziek van Hannah Peel op Fir Wave. Soms krijg je associaties met Brian Eno’s ambient werk en Music For Films, of de subtiele krautrock van het Duitse Harmonia. Soms heeft Fir Wave wel wat weg van de melancholische platen van Ryuichi Sakamoto. Bovenal klinkt alles heel logisch en natuurlijk. Hannah Peel houdt haar werk open en luchtig. Het klinkt warm en heeft nu en dan wat ruwe randjes. Het titelnummer is mooi en melancholisch rustiek als een Japanse tuin. Een nummer als Carbon Cycle heeft slepender cadans, maar klinkt ook ver weg en stil als een zomeravond aan het water. Patterned Formation is zweverig en eindigt in een zachte elektronische maalstroom. Het beetje stuwende Ecovocative doet in de verte wel een beetje denken aan de samenwerking van Simian Mobile Disco met het dameskoor Deep Throat op Murmurations. Een van de hoogtepunten is Emergence In Nature, een soort technotrack die opbouwt en opbouwt. Het zou het goed doen op Awakenings of Free Your Mind. Maar dan BAM: in de break vallen opeens de fagotten, violen en prehistorische elektronische geluiden van de Radiophonic Workshop in. Wat een moment!

Betoverend abstract

Het is een van de weinige oplevingen op de plaat. Verder blijft het betoverend abstract. Er zit iets dubbels in dit album: het vraagt aandacht voor de penibele staat van het milieu en de natuur op onze aardkloot, maar tegelijkertijd mist de muziek elke vorm van urgentie. (Ik bedoel dat niet negatief.) Misschien drukt Hannah Peel wel onze lamlendigheid en lethargie uit als het gaat om deze planeet – toen en nu.

Alle beste albums van 2021:

Happy birthday, The Lion And The Cobra

Op deze dag in 1987 bracht Sinéad O’Connor het album The Lion And The Cobra uit. So happy birthday!

Kijk haar staan. In haar eentje. Met alleen haar akoestische gitaar. Een rompertje op haar rug gebonden. Het is voorjaar 1988 en Sinéad O’Connor staat op het hoofdpodium van Pinkpop in Landgraaf. Zij geeft een indrukwekkende versie weg van haar eerste hit Troy. Haar stem galmt en zalft. Zij is boosaardig en vleiend tegelijk, vluchtig en verliefd. Het Pinkpop-publiek kan alleen maar ademloos toekijken. Aan de grond genageld. Kippenvel op de armen. Wat een nummer! Wat een stem! Wat een vrouw!

Zo is ook de reactie een half jaar eerder, als op 4 november The Lion And The Cobra uitkomt, het debuutalbum van Sinéad O’Connor uit Ierland. Wat een vrouw! Ze is brutaal, eigenwijs, onconventioneel, koppig en dwars. Querulant. Managers probeerden haar te ‘lanceren’ als sexy singer-songwriter en wat doet ze? Ze scheert prompt haar schedel kaal. Haar label plaatst haar onder topproducer Mick Glossop (bekend van Van Morrison en Public Image Ltd) en wat doet ze? Ze ontslaat hem na vier maanden, met de woorden ‘fucking old hippy’, en doet de klus overnieuw. Maar nu zelf. Ze is hoogzwanger als ze de laatste mixen staat te doen. Ze is dan twintig jaar. De plaat doet in niks meer denken aan dat stoffig traditionele Ierse geluid dat Glossop er op wilde plakken. Nee, de debuutplaat staat vol glamrock en artpop anno ’87 met soms wat dance en noise, plus een paar kristalheldere ballads. Haar band telt grote namen. We horen gitarist Marco Pirroni (van Adam en de Ants), gitarist Rob Dean (van Japan), Mike Clows van Stiff Little Fingers en drummer John Reynolds van Transvision Vamp (en de vader van de baby in de buik). Zangeres Enya leent haar stem en Steve Wickham van de Waterboys tekent voor de vioolarrangementen. Acht van de negen nummers op de plaat schreef Sinéad O’Connor overigens zelf.

Wat een stem! Waar kun je die mee vergelijken? Soms zingt ze hard en krachtig, als Siouxsie Sioux van Siouxsie en de Banshees. Soms zingt ze hoog en etherisch als Kate Bush. Ze heeft een enorm bereik en dynamiek. Haar stem kan je omver blazen met een powerboost, maar soms lispelt ze in je oor. Ze heeft als meisje in jazzclubs gezongen, maar verder is Sinéad O’Connor ongeschoold in zang. Ze heeft haar stem feilloos onder controle, maar er zit iets onbezonnens in haar dictie. Fris en puur. Soms zit ze er nét even naast. Soms schreeuwt ze zich schor. Dat maakt het allemaal zo emotioneel. Gaandeweg haar carrière heeft haar stem niks aan kracht en dynamiek verloren, maar ze is steeds meer binnen de lijntjes gaan kleuren. Ze kan nog steeds bloedmooi uithalen, maar kippenvel is er niet vaak meer bij.

Dat maakt deze plaat ook zo uniek. Goed, haar tweede album (I Do Not Want What I Haven’t Got uit 1990) is éigenlijk veel beter. De songs zijn sterker. Maar de Ierse zangeres heeft nooit meer zoveel impact gehad als met haar debuutplaat. Die begint met het slepende, beklemmende Jackie, een Ierse saga over een dode vrouw die rondspookt langs de kustlijn. Het uptempo nummer Madinka heeft de hoogste hitpotentie (totdat ze Nothing Compares 2U van Prince opneemt). Op Jerusalem trekt Sinéad alle registers open met haar stem. Prachtig! Just Like You Said It Would B is een cynisch walsje over de politieke situatie in Engeland: ‘I can see too many mouths open / Too many eyes closed, ears closed / Not enough minds open / Too Many legs open’. Never Get Old is een opus tegen religie. Enya leest in het Gaelic voor uit Psalm 91, waar het album de titel aan ontleent. God zou ons moeten beschermen tegen het ‘brute kwaad’ (de leeuw) en het ‘sluipende kwaad’ (de slang). I Want Your (Hands On Me) is een erotische dancetrack, die doet denken aan Prince (zowel 1999 als Batman). Het nummer krijgt een – niet zo fris – plekje in de soundtrack van de horrorfilm A Nightmare On Elm Street 4: The Dream Master. De protestsong Drink Before The War is melancholisch mooi. En spectaculair is de afsluiter Just Call Me Joe, dat magazine Rolling Stone in 1987 omschrijft als: a droning, hypnotic guitar dirge straight out of the Velvet Underground and Jesus and Mary Chain songbooks. Dat zegt genoeg. Het absolute hoogtepunt – niet alleen live, maar ook op de plaat – is het nummer Troy. Sinéad O’Connor verlegt het mythische verhaal uit de Odyssee van Troje naar Dublin, en maakt er tegelijk een lovesong van (over een jongen die een meisje ‘verovert’?). Haar stem voert je in zesenhalve minuut door allerlei verschillende emoties en gevoelens: liefde, jaloezie, woede, romantiek, pijn, obsessie, verlangen, wanhoop, haat.

The Lion And The Cobra is een prachtplaat, en eentje die de toon heeft gezet. O’Connor is origineel, strak, ‘edgy’. Ze doet haar tijdgenoten – Melissa Etheridge, Tracy Chapman, Suzanne Vega – bleek afsteken. En dus zou er zonder Sinéad geen Alanis Morissette geweest zijn, geen Pink, geen KT Tunstall, Lily Allen, Katy Perry… misschien wel geen Billie Eilish.

Wat een vrouw… Koppig en querulant… Weet je, we kunnen nog een half blog volschrijven over alle fratsen en strapatsen die ze hierna uithaalt, in de media en op het podium. Maar we doen het niet. Liever herinneren we ons Sinéad O’Connor aan haar elpees The Lion And The Cobra en I Do Not Want What I Haven’t Got, en aan dat kippenvelmoment op Pinkpop.

Meer jarige platen?

Happy birthday, Autobahn

Op deze dag in 1974 bracht Kraftwerk het album Autobahn uit. Also, herzliche Glückwünsche!

Bedenk jezelf in de rood-gele waas van de verkleurde foto’s uit die tijd. Wijdepijpenbroek, keurige spencer. Je stapt in je koekblik, een Volkswagen Passat. Je draait het contact om, je start, je drukt een keer op de claxon – toettoet – en terwijl een stem uit te vocoder mechanisch lispelt, draai je de snelweg op. De A555, van Keulen naar Bonn. En verder zoef je over rustige wegen. De zon glinstert en schittert, je rijdt door een weids dal. Het groene landschap onder de blauwe lucht. Je draait aan de radio, en als die na wat ruis op de zender schiet, dan hoor je… “Wir fahren, fahren, fahren auf der Autobahn / Wir fahren, fahren, fahren auf der Autobahn”… Welkom in het Duitsland van 1974 (jaja, de voetballiefhebbers onder ons zullen nu even moeten slikken), welkom in het Duitsland van het Wirtschaftswunder. Welkom in het Duitsland van Kraftwerk – dat net zo elektronisch als bucolisch is.

Op de kop af 22 minuten en 41 seconden, een plaatkant lang, rijd je over de autobaan, begeleid door deze vreemde soundtrack – een kruising tussen experimentele krautrock en een novelty-hit. Monotoon tikken Kraftwerk’s zelfgefabriceerde elektronische drumkits, monotoon klinkt de dwarsfluit, monotoon klinkt dat gortdroge koortje. Daaroverheen hoor je synthetische soundsculpturen, van passerende auto’s, kilometerpaaltjes, bruggen, verkeersborden. Alles ademt de afstanden die je aflegt. Het is eigenlijk een soort machine die je hoort. Een bloedbaan soms. Je beseft je opeens wat Kraftwerk-voormannen Ralf Hütter en Florian Schneider hun publiek altijd op het hart drukten: dit nummer gaat niet over auto’s, dit nummer gaat over de snelweg. De Autobahn, die Nazi-Duitsland zo groot en sterk maakte voor de oorlog. Hitler’s kindjes. (Behalve dan deze A555 die Kraftwerk inspireerde. Die was al in 1932 neergelegd, voordat Adolf H. zijn machtsgreep pleegde.) Je herinnert je wat Ralf en Florian vertelden. Hoe ze op pad gingen met een recordertje. Autorijden met het raampje open. En dan alles opnemen. Het geruis van banden op asfalt. Het ‘pfft-pfft-pfft’ als je over de verfstrepen rijdt. “Pure geluidspoëzie”, noemde Hütter dat. Het vormde de basis voor het nummer Autobahn.

Achter het stuur zit je nog wat te mijmeren. Over dat ‘tipping-point’ dat alle échte goede bands kennen: na jarenlang ploeteren volgt het moment waarop creativiteit, timing, visie en drive samenvallen en er een ‘wow’ ontstaat – iets dat helemaal klopt. Alles valt op zijn plaats. Ziggy Stardust is zo’n doorbraakplaat, OK Computer ook, en Revolver, The Unforgettable Fire of Dark Side Of The Moon. Autobahn was Kraftwerks doorbraakplaat, letterlijk en figuurlijk. Hun eerste twee platen waren typische krautrock, spannende avantgarde maar wel wat stuurloos. Op hun derde – getiteld Ralf und Florian – waren de voortekenen al te horen voor wat Autobahn zou worden. Al dan niet zelfgebouwde synthesizers namen steeds meer de plaats in van gitaar, viool en fluit. Alles had een naïef en nieuw geluid; daar was Konrad (later Conny) Plank voor verantwoordelijk. Hij/zij produceerde bijna alle krautrockbands uit die tijd. Ook Autobahn werd geproduceerd door Plank en opgenomen in zijn/haar mobiele studio. Het geluid is Kraftwerk/Plank op zijn best! Nog niet zo klinisch als de latere Kraftwerk-platen (die ze zelf produceerden), maar eerder warm, een beetje wollig. Het laat zich ook het best beluisteren op vinyl.
De muziek op Autobahn was niet meer zo ‘hippy’, jazzy en ‘freaky’ als bij krautrockcollega’s zoals Can, Neu!, Amon Duul of Faust. Nee, de plaat klinkt strak. Kraftwerk koos duidelijk een eigen elektronische weg. Dat gold ook voor hun uiterlijk. Ze knipten hun haren af en staken zich in driedelige kostuums. Ze presenteerden zich als een soort accountants uit de jaren vijftig – volledig anti-rock ‘n roll. Totaal niet funky. Op die manier zetten ze zich heel bewust af tegen de anglo-amerikaanse rock-clichés, zo vertelde Hütter later. In plaats daarvan presenteerden ze – nog veel meer dan al die andere krautrock-bands – een positief soort ‘Deutschtum’.
Dan denk je ook nog aan die originele hoes van het album Autobahn, geschilderd door vriend en huurbaas van hun huis in Düsseldorf: Emil Schult. Die hoes werd later ingeruild voor een veel strakkere, die meer voldoet aan de abstracte beeldtaal van Kraftwerk. Je ziet dan alleen het blauwwitte verkeersbord met het icoon dat snelweg aanduidt. Jammer vindt je, want die originele hoes sluit veel meer aan bij waar het Ralf en Florian in 1974 om te doen was. Zonnige ‘Heimatklänge’.

En dan stap je uit je Volkswagen Passat. Je draait de elpee om en je belandt opeens in hele andere sferen. Kosmische sferen. Kometenmelodie 1 en 2 zijn odes aan de komeet Kohoutek, die in 1973 de aarde passeerde. Het eerste deel is een gloomy geluidsschilderij, vol mysterieuze ruis en sinistere fluittonen. Deel 2 is een tegelijk stuwend, poppy en melancholisch werkje. Zeg maar iets in het genre dat later Jean-Michel Jarre en Vangelis zijn gaan uitbouwen. En dan wordt het middernacht. Het gelijknamige nummer (Mitternacht) zit vol synthetisch gereproduceerde nachtgeluiden: diertjes, waterdruppels, uilen, wind en wolven. Maar de elpee eindigt optimistisch, hoopvol, met het nummer Morgenspaziergang. Het begint een beetje surrealistisch met die elektronische vogeltjes, maar daarna hoor je een pastorale fluit, stromend water en een verre piano. Het geeft de rust en frisheid weer die de Kraftwerkmannen ervaren als ze na een nacht werken aan Autobahn uit de studio komen. Je hoort het melodielijntje uit het avantgardenovelty-nummer waar ze zo beroemd mee werden nog eventjes terug.

En zo is de cirkel rond. Je mag je spencer en je wijdepijpenbroek weer uit doen. De Duitse accountants hebben hun ding gedaan. Het was wonderbaarlijk toen in 1974, en dat is het anno 2020 nog steeds.

Meer jarige albums?

Happy birthday, The Tired Sounds Of Stars Of The Lid

Op deze dag in 2001 bracht Stars Of The Lid het album The Tired Sounds Of Stars Of The Lid uit. So happy birthday!

Er is geen album te verzinnen waarbij de vlag de lading zo dekt als deze. (Mmm, nou ja, Bad van Michael Jackson misschien… want dat is gewoon echt een slechte plaat.) Nee, dan The Tired Sounds Of Stars Of The Lid van het duo Brian McBride en Adam Wiltzie, alias Stars Of The Lid. Zoiets heb je nog nooit gehoord. Het album bevat muziek die letterlijk vermoeid klinkt. Futloos en slap misschien, maar dan op een positieve manier (kan dat? ja, dat kan), treurig en melancholisch. De geluiden klinken zacht en veraf, sferen schuiven voorbij en als er al iets van een compositie in zit, dan voltrekt die zich heeeeeeel laaaangzaaaaaammm. Minimaal en herhalend. Tegen de stilte aan. Soms zit je te luisteren en dwalen je gedachten af, en dan keer je na een tijdje weer terug naar de muziek en lijkt er helemaal niets te zijn gebeurd.
Is dat saai? Nee, The Tired Sounds Of Stars Of The Lid is juist een van de mooiste platen die ooit is gemaakt. Neem er de tijd voor – in totaal precies twee uur en vier minuten – en je merkt: Pure schoonheid ontvouwt zich hier op een hele rustige en waardige manier.

Moet je hier een labeltje opplakken? Pfff, dan zou het zoiets zijn als ambient/drone/post-rock/neo-klassiek, met de nadruk op ambient. McBride en Wiltzie zijn van de zeer, zeer zeldzame soort die zich met recht erfgenaam van Brian Eno mogen noemen. The Tired Sounds Of Stars Of The Lid bevindt zich in het verlengde van Eno’s iconische ambient-albums uit de jaren zeventig en begin jaren tachtig (Discreet Music, Ambient 1: Music For Airports, Ambient 4: On Land, Apollo: Atmospheres And Soundtracks, Thursday Afternoon). Dat betekent: achtergrondmuziek die geen achtergrondmuziek is. Je hóeft er niet naar te luisteren, maar als je het wel doet dan duik je in hele mooie, gevoelige, melancholische sferen. Dit soort muziek heeft overigens niets maar dan ook niets van doen met die suikerzoete new-age muzak, vol akoestische gitaren of harp, pianogepiel en kitscherige elektronische klanktapijtjes, die vaak voor ambient of neoklassiek moet doorgaan. Denk: Nils Frahm, Kitaro, al die Windham Hill-shit, maar soms ook Jóhann Jóhannsson of Ólafur Arnalds. Nee, de interessante ambient zit meer in de hoek van de avant-garde. Eliane Radigue, Pauline Oliveros, dat soort werk… Fennesz

Brian McBride en Adam Wiltzie komen oorspronkelijk uit Austin, Texas en ze timmeren al sinds 1993 aan de weg. Tired Sounds uit 2001 is hun eerste dubbelalbum en pas zes jaar later komt er een opvolger – ook een dubbelalbum: And Their Refinement Of The Decline. Qua verkopen is Tired Sounds als de muziek die erop staat: een ‘slow burner’. In bijna twintig jaar heeft het album op haar eigen tempo een miljoenenpubliek verovert. Jaren na de release vertellen McBride en Wiltzie aan tijdschrift Rolling Stone hoe Tired Sounds tot stand is gekomen. Ze hebben nauwelijks samen in de studio gezeten, twee keer misschien. McBride verhuisde naar Chicago en ze stuurden DAT-tapes met bestanden per post heen en weer. Gaandeweg de opnames zijn ze digitaal gaan werken. De plaat kwam tot stand onder bizarre omstandigheden. In Chicago was McBride het stuklopen van zijn relatie aan het verwerken. Hij kan zich van zijn opnamesessies niet zoveel meer herinneren. In Austin verkeerde Wiltzie middenin een depressie en hij zat zwaar onder de drugs. Te zweten. Het was verzengend heet, die zomer in Texas. Los van elkaar zaten de twee ’s nachts achter hun recordertjes te sleutelen aan tracks die later de basis zouden vormen voor Tired Sounds. De titels van de nummers op het album spreken boekdelen: Broken Harbors, The Lonely People (Are Getting Lonelier), Ballad Of Distances, Requiem For Dying Mothers, Down 3 en Austin Texas Mental Hospital. En toen kwam ook nog 9/11…Het album verscheen niet onder een gelukkig gesternte.

Al die drama hoor je er niet meteen aan af, dat is de kracht van goeie ambient. Toch wordt je al bij de start van Tired Sounds in een slepend cello-stuk getrokken – het requiem voor de stervende moeders. Down 3 is een synthesizerdrone, soms een beetje horror-achtig. Austin Texas Mental Hospital wordt weleens vergeleken met de sfeer van Peter Gabriel’s donkerste werken – de instrumentale versies voor de soundtrack van Birdy bijvoorbeeld. Het nummer Mulholland had zo in de soundtrack van Mullholland Drive – de meest bizarre film van David Lynch – gekund. Hoogtepunt of dieptepunt in treurigheid is de tien minutenlange synthesizerdrone in The Lonely People (Are Getting Lonelier). De plaat eindigt met drie delen van A Lovesong (For Cubs). Hier komt die cello weer terug ingebed in elektronische golven van hoop. Kippenvel, hoor, bij die afsluiter, totdat de muziek heeeel langzaaam vervaaagt… En je blijft achter in stilte…

Meer jarige platen?

Happy birthday, Electric Ladyland

Op deze dag in 1968 bracht Jimi Hendrix Experience het album Electric Ladyland uit. So happy birthday!

Weinigen onder ons – alleen misschien een paar hele oude babyboomers – hebben het écht nog meegemaakt. We hebben het allemaal wel op video’s of DVD’s van bijvoorbeeld Woodstock of Monterey Pop kunnen zien: de optredens van Jimi Hendrix waren van een onaardse energie en rauwheid. Denk even al die flauwe kunstjes weg (spelen met het instrument achter zijn nek, met zijn tanden aan de snaren plukken of zelfs zijn stratocaster in de fik steken) en je ziet en hoort een gitaargod in optima forma. Het echte werk! Maar hoe leg je dat in godsnaam vast op elpee?

In 1967 is twee keer een poging gedaan. Al een jaar daarvoor kwam Jimi Hendrix in contact met manager en producer Chas Chandler (ooit bassist van de Animals, maar dat terzijde). Chandler haalde Hendrix naar Londen en koppelde hem daar aan twee giganten: drummer Mitch Mitchell en bassist Noel Redding. De Jimi Hendrix Experience was geboren! Onder leiding van Chandler werden twee platen opgenomen: Are You Experienced? en Axis: Bold As Love. Die twee platen uit ’67 zijn geweldig, maar ze zijn geheel volgens het popidioom uit die tijd in elkaar gezet. Ze zijn netjes, een beetje clean geproduceerde rijtjes van korte songs. Het gefreak werd door Chandler keurig weggemixt of in toom gehouden. En daardoor laten ze maar één kant van het talent Jimi Hendrix zien.

De opnamen voor Electric Ladyland startten volgens hetzelfde procedé. Maar ergens halverwege verplaatste Circus Hendrix (want dat was het wel, met al die feestjes, al die drugs, al dat geneuk) zich naar de Record Plant Studio in New York. Chas Chandler had daar geen zin in en liet Hendrix zelf de plaat maar afmaken. ‘Dat wordt een puinhoop’, dacht iedereen, maar Jimi Hendrix was hier op z’n creatieve top. Hij bleek heel goed in staat zelf te produceren. De plaat heeft een veel voller geluid dan de vorige twee. Meer uitgebalanceerd, ondanks al die party’s. Want in tegenstelling tot Chandler nam Hendrix take na take na take na take op, om de beste te gebruiken. En er mochten allerlei gastmuzikanten meedoen, zoals Jack Casady van Jefferson Airplane, drummer Buddy Miles, Dave Mason, Chris Wood en Steve Winwood van Traffic en zelfs Rolling Stone Brian Jones. Hendrix was helemaal vrij in zijn speeltuin! Het leverde uiteindelijk 75 minuten pure plezier op. Electric Ladyland werd sowieso de sterkste plaat van de band en volgens sommige boomer-journo’s zelfs het beste album ooit gemaakt. (Al was het alleen al door die iconische hoes met negentien naakte groupies die dromerig de platen van de Jimi Hendrix Experience vasthouden – een hoes die later vervangen zou worden door een wat bravere portretfoto.)

De plaat bevat nog een handjevol van die korte ‘Londense’ nummers. Het overbekende Crosstown Traffic bijvoorbeeld, het psychedelische Burning Of The Midnight Lamp, het beetje oubollige beatnummer Little Miss Strange of het swingende, stuwende Gypsy Eyes. Er is typische Sly Stone-funk (Still Raining, Still Dreaming), het Curtis Mayfield-achtige Have You Ever Been To Electric Ladyland, pure rock ’n roll (de cover Come On, Let The Good Times Roll van Earl King) en relaxte groovy bluesjazz (Rainy Day, Dream Away). Daar tegenover staan twee lange jams. De eerste is de vijftien minuten lange bluesjam Voodoo Chile, opgenomen met de Traffic-jongens en Jack Casady, maar waarin vooral de gierende gitarist Hendrix helemaal loos mag gaan. Lekker! Die andere lange track (bijna veertien minuten) is het wereldvreemde 1983… A Merman I Should Turn To Be. Dat zit vol gekke tempowisselingen, achteruit gespeelde tapes, spacey effecten, barokke orgelloopjes en apocalyptische teksten. Het is een trip, en daarvoor hoef je niet eens een pilletje te slikken.

Jimi Hendrix steelt overal de show als hij alleen al naar zijn snaren kíjkt. Maar een grote meerwaarde over de hele plaat is ook zijn stem. Die is sexy, stoned en soulful. Hendrix heeft zoveel charisma. Daar wil je altijd wel naar blijven luisteren. Helemaal als aan het einde van de plaat twee Ultieme Uitsmijters klinken. De eerste is All Along The Watchtower, dat is toch echt de definitieve versie van Bob Dylans song (dat moest de nukkige bard uiteindelijk zelf ook erkennen). Magistraal gezongen, bijna magische gitaar. En daarna volgt de keiharde proto-hardrock van de hit Voodoo Chile (Slight Return). Wat een power! Wat een drive! Dat doet – 52 jaar later – nog steeds elke metalband, elk punkcollectief, alle grunters of grungers verbleken tot doetjes. Hendrix is de real thing. Immer noch. Na deze derde plaat mochten we niet lang meer van hem genieten. Zoals de BBC ergens heel raak zegt: ‘both business and pleasure took their toll’. Het fenomeen schaarde zich als tweede (na Brian Jones) bij de Club van 27. Eeuwig zonde.

Meer jarige platen?

Happy birthday, The Sky’s Gone Out

Op deze dag in 1982 bracht Bauhaus het album The Sky’s Gone Out uit. So happy birthday!

Ach, arm Bauhaus. “All We Ever Wanted Was Everything / All We Ever Got Was Cold”, zingen ze ergens op deze plaat. Terecht. Het is een van de meest onderschatte albums van een van de meest onderschatte bands ooit. Als stereotype gothic-band hadden ze hun imago van zwarte vleermuizen niet mee, hun naam – ze vernoemden zich naar de Duitse designers uit het interbellum – was te pretentieus en hun muziek te kitscherig, zoals dat geflirt met Dracula-acteur Bela Lugosi bijvoorbeeld. En toch… en toch… was hun mix van harde, scherpe postpunk en dubreggae, met de snijdende gitaren van Daniel Ash, pompende bassen en de galmende grafstem van Peter Murphy, heel verfrissend – zo is te horen op hun albums In The Flat Field (1980) en Mask (1981) en hits als Kick In The Eye, The Passion Of Lovers en vooral Bela Lugosi’s Dead. En op hun derde plaat, The Sky’s Gone Out, gaan ze nog een paar flinke stappen verder. ‘The experimental one’, wordt het album genoemd. Da’s niet voor niets.

Kant A blijft nog het dichtst bij ‘vintage Bauhaus’. De plaat trapt af met een cover, een turbo-versie van het nummer Third Uncle van Brian Eno. Bauhaus klinkt hier als een stel razende honden dat een onschuldige prooi (in dit geval Eno’s nummer van de plaat Taking Tiger Mountain By Strategy uit 1974) opjaagt. Wat een contrast met de strijkers en akoestische gitaar die de tweede track, Silent Hedges, inluiden, een nummer met bijna literaire teksten van Peter Murphy (“What happens when the intoxication of succes has evaporated?” – hoe krijg je het uit je bek in een rocksong?). In The Night is letterlijk een Bauhaus-oudje, het bleef op de plank liggen tijdens de In The Flat Field-sessies en is nu opnieuw opgenomen. Best lekker, maar niet het hoogtepunt van de plaat. Swing The Heartache is een ingewikkelde, bijna industrial groove die doet denken aan het beste werk van David Bowie en Iggy Pop samen (Nightclubbing of Mass Production op het album The Idiot uit 1977). De fascinerende single Spirit sluit de eerste plaatkant af. Het is een mooi nummer, een soort ‘gothic meets music hall’ dat begint met klavierklanken en eindigt in een psychedelische draaikolkmix terwijl Peter Murphy maar blijft galmen: “We love our audience… We love our audience…”.

Kant B begint met The Three Shadows, Part I, II and III. Het eerste deel is een mysterieus ambient-stuk, een beetje Erik Satie-achtig, voorzichtig opbouwend vanuit naïeve gitaren, via spookachtige synths naar zwarte, zware koorklanken. Deel twee pakt uit als een ingetogen ballad, met Murphy als vampier-achtige crooner (alhoewel dat wat minder cliché uitpakt dan het zo lijkt). Het zijn vooral de instrumentatie en de productie die dit tweede stuk zo bijzonder maken, met een soort hobbelig baswalsje op de achtergrond. Deel drie is letterlijk en figuurlijk psychotisch, met piepende violen (Venus In Furs van de Velvet Underground op speed), een zwalkende piano en Murphy die zingt over bloed, pus en pis en ‘the symbol of fish’. Dan volgt All We Ever Wanted Was Everything, een tedere gitaarballad over een jeugd in het saaie Northampton in de East Midlands van Engeland. Met kippenvelmomenten, als halverwege het nummer een orgel losbarst en als de wanhoop doorklinkt wanneer Peter Murphy naar het einde toe zingt: “Oh, to be the cream”. De laatste track is het volkomen weirde ding Exquisite Corpse. Het trapt af met een manisch a-capella “life is but a dream” over een achteruitgedraaide track – het ritme van Spirit – en dan galmt de zanger als een soort Gandalf met toverstaf “I make the air fall apart, around me” en dan beginnen er psychedelische riedeltjes die uitmonden in een Pink Floyd-achtige track met daaroverheen een hoestbui en een verhaaltje van engineer Derek Tompkins en uiteindelijk begint Peter Murphy akelig te schreeuwen “THE SKY’S GONE OUT!”. Dan valt het even stil, voordat er een leip reggaedeuntje start met daaroverheen het gesnurk van Tompkins en dan is het klaar. De plaat zit er op.

Dan volgen er op de cd-uitgave nog een paar extra tracks, waaronder een van Bauhaus’ grootste hits: een ongeveer letterlijke kopie van Ziggy Stardust van David Bowie. Maar die is lang niet zo spannend als de Eno-cover, laat staan het eigen werk op The Sky’s Gone Out. Beter kan je de limited edition proberen te scoren met als extraatje het live album Press The Eject And Give Me The Tape – dan krijg je er een weergaloze uitvoering van de Bauhaus-klassieker Bela Lugosi’s Dead bij.

Een jaar later is het gedaan met de band. Ze scoren eerst een nog grotere hit (She’s In Parties) en maken de plaat Burning From The Inside met zanger Peter Murphy op halve kracht, want geveld door een longontsteking. Op 5 juli 1983 geven ze hun laatste optreden in het Hammersmith Odeon in Londen (net als precies tien jaar eerder de laatste show van David Bowie’s creatuur Ziggy Stardust). Bauhaus stapt het podium af na de woorden ‘rest in peace’… Hoe gothic… Hoe cliché… Hoe anders dan de sprankelende originaliteit van The Sky’s Gone Out.

Meer jarige platen?